Online evenement ‘Milieueffecten van offshore windparken’

WinMon.BE @ ULg Colloquium, dinsdag 18 mei 2021

WinMon.BE, het Belgische programma voor milieumonitoring van offshore windparken, is in 2008 van start gegaan en wordt gecoördineerd door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). KBIN en de WinMon.BE partners INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), ILVO (Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek) en Marbiol (Onderzoeksgroep Mariene Biologie van de Universiteit Gent), evalueren de omvang van de verwachte effecten van offshore windmolenparken op het mariene ecosysteem en trachten de processen achter deze effecten bloot te leggen.

Op 18 mei, van 9:00 tot 12:00, organiseert het WinMon.BE-consortium een evenement om de resultaten van het monitoringprogramma te delen en te bespreken. Dit symposium wordt georganiseerd als een nevenevenement van het 52e Liège Colloquium on Ocean Dynamics (Towards an understanding and assessment of human impact on coastal marine environments, 17-21 mei 2021; http://labos.ulg.ac.be/gher/home/colloquium/colloquium-2021/), en zal in het Engels verlopen.

De lessen die uit het WinMon.BE-programma werden getrokken, zullen worden gepresenteerd, gevolgd door een panelgesprek. Tijdens dit gesprek zal bijzondere aandacht worden besteed aan de nexus wetenschap-beheer-beleid als beste manier om te komen tot een milieuvriendelijke implementatie en een ecosysteemgericht beheer van offshore hernieuwbare energiebronnen. Deze sessie is gratis en gericht op wetenschappers, industrie, managers en beleidsmakers.

Programma (in het Engels):

  • 9:00 – 9:05: Welcome (Vincent Van Quickenborne – Minister of North Sea)
  • 9:05 – 9:15: Introduction ‘setting the scene’ (Brigitte Lauwaert – RBINS)
  • 9:15 – 9:40: Introductory keynote: ‘Using a decade of WinMon.BE results to plan for the future’ (Steven Degraer – RBINS)
  • 9:40 – 9:50: ‘Mytilisation / slimeification of the hard substrate fauna: the importance of long-term datasets for environmental impact assessment’ (Mirta Zupan – RBINS)
  • 9:50 – 10:00: ‘Evolution of piling activities because of increasing insights in associated effects’ (Bob Rumes – RBINS)
  • 10:00 – 10:10: ‘Innovative approaches and updated survey strategy to assess the impact of OWFs on seabirds’ (Eric Stienen / Nicolas Vanermen – INBO)
  • 10:10 – 10:25: Q&A
  • 10:25 – 10:35: break
  • 10:35 – 10:45: ‘Possible conflicts between wind energy at sea and nature conservation’ (Annelies De Backer – ILVO)
  • 10:45 – 10:55: ‘Functioning of the benthic ecosystem: organic enrichment and biogeochemical cycling’ (Ulrike Braeckman – UGent)
  • 10:55 – 11:10: Q&A
  • 11:10 – 11:55: panel discussion ‘BE: ready for accommodating the future of OWFs?’
  • 11:55 – 12:00: closing remarks (Steven Degraer – RBINS)

Registratie:

Deelname aan het WinMon.BE evenement is gratis, maar registratie is vereist via de volgende link: http://labos.ulg.ac.be/gher/home/colloquium/colloquium-2021/registration/

Meer informatie over WinMon.BE:

Gedetailleerde informatie over de resultaten van het WinMon.BE-monitoringprogramma is te vinden in de jaarverslagen op https://odnature.naturalsciences.be/mumm/nl/windfarms/.

© KBIN

Luchtobservaties boven de Noordzee in 2020

In 2020 realiseerde het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in het kader van het nationale programma voor luchtobservaties 158 vlieguren boven de Noordzee. Er werden 10 gevallen van operationele zeeverontreiniging door schepen waargenomen, en een accidentele zeeverontreiniging ten gevolge van een aanvaring tussen 2 tankers. Ook werden bij 10 schepen verdachte zwavelwaarden opgemeten in de rookpluimen. Sinds 2020 kunnen ook stikstofemissies worden gemeten met de sniffer-sensor. Met deze uitbereiding blijft België een internationale trekkersrol vervullen op het gebied van de monitoring van scheepsemissies. Het vliegtuig nam ondanks de Covid-19 pandemie ook met succes deel aan een internationaal gecoördineerd toezicht op de olie- en gasinstallaties in het centrale deel van de Noordzee. Verder werden ook de jaarlijkse zeezoogdierentellingen met succes uitgevoerd.

Het Belgische luchttoezichtvliegtuig in actie. © NL Coastguard

Overzicht van de toezichtvluchten

In het kader van het nationale luchttoezichtprogramma werd in 2020 158 uren boven de Noordzee gevlogen. Dit programma wordt georganiseerd door de Wetenschappelijke Dienst BMM (Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee) van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, in samenwerking met Defensie. Door de Covid-19 pandemie konden minder vlieguren worden gepresteerd dan initieel voorzien.  Mits de uitwerking en toepassing van een uitvoerig Covid-19 schakelplan werd in deze uitzonderlijke en moelijke omstandigheden echter alsnog een aanzienlijk deel van de voorziene uren (ca.75%) gepresteerd.

Het merendeel van de vlieguren betrof nationale vluchten (136 uren):

  • 128 uren in het kader van taken van de Belgische kustwacht:
    • 92 uren pollutiecontrole: 56 uren voor toezicht op lozingen van olie en andere schadelijke stoffen (MARPOL Annex I, II en V) en 36 uren voor de monitoring van de zwaveluitstoot door schepen (handhaving van MARPOL Annex VI / SECA – Sulphur Emission Control Area of Zwavelemissiecontrolegebied, zie verder);
    • 27 uren visserijcontrole, in opdracht van de Vlaamse dienst Zeevisserij;
    • 9 uren waarbij vluchten werden geactiveerd naar aanleiding van diverse meldingen, waaronder een aanvaring met vervuiling, een aanzienlijke accidentele olievervuiling op de Westerschelde, een melding van grote hoeveelheden bruine materie die algen bleken te zijn en een melding van een walvis in Belgische wateren.
  • 8 uren zeezoogdierenmonitoring.

Verder werden 22 uren besteed aan internationale vluchten, met name aan de Tour d’horizon-missie ter controle van boorplatformen in de Noordzee (een internationale opdracht in het kader van het Bonn Akkoord).

Accidentele zeeverontreiniging

Op 12 en 13 mei 2020 werd als gevolg van een aanvaring tussen 2 tankers,  de m/t Isolde en m/t Navigator Ceres, een accidentele zeeverontreiniging waargenomen met een andere schadelijke vloeistof dan olie. De vervuiling  was afkomstig van de licht beschadigde Isolde. De olieachtige sporen (beperkt volume) die gedurende 2 dagen en 4 opeenvolgende vluchten op het zeeoppervlak nabij de Isolde werden waargenomen bleken niet veroorzaakt door ladingverlies, maar door een accidenteel verlies van Bioneptan, een bio-olie die wordt gebruikt om de schroefaandrijving te smeren. Gezien de aard en het beperkte geloosde volume (< 100L) vormde deze accidentele vervuiling geen grote dreiging voor het mariene milieu.

Accidenteel verlies van Bioneptan vanaf de m/t Isolde. © KBIN/BMM

Operationele scheepslozingen

Naast de accidentele verontreiniging werden in 2020 10 gevallen van operationele verontreiniging door schepen waargenomen:

  • 2 kleine olieverontreinigingen (MARPOL Annex I) waarbij de vlekken niet gelinkt konden worden aan een schip.

  • 8 verontreinigingen door andere schadelijke vloeistoffen dan olie (MARPOL Annex II). Één van deze verontreinigingen kon aan een schip worden gelinkt. Er werd een controle aangevraagd in de volgende aanloophaven, hieruit bleek dat het een toegelaten lozing van zonnebloemolie-restanten betrof (MARPOL Annex II).
  • De BMM ontvangt ook regelmatig alerts van satellietdetecties van mogelijke zeeverontreinigingen. Deze Clean Sea Net (CSN) satelliettoezichtsservice wordt aangeboden door het Europese Agentschap voor de Veiligheid van de Scheepvaart (EMSA). In 2020 voerde het vliegtuig 5 keer een verificatie-opdracht uit naar aanleiding van een CSN satellietdetectie-alarm van een mogelijke verontreiniging in het Belgische toezichtsgebied. In één geval werd effectief een verontreiniging bevestigd vanuit het vliegtuig, waarbij het ging om een andere schadelijke vloeistof dan olie. Bij de overige 4 verificaties werd niets (meer) geobserveerd. Voor elke verificatie werd feedback bezorgd aan EMSA.

De cijfers tonen aan dat het aantal olieverontreinigingen het laatste decennium sterk gereduceerd is (eerste grafiek), maar dat verontreinigingen door andere schadelijke stoffen nog steeds een courant probleem zijn, dat zelfs in stijgende lijn lijkt (tweede grafiek). Hierbij dient vermeld dat  het vaak gaat om lozingen die conform de internationale lozingsstandaarden zijn, zoals vervat in Annex II van het MARPOL Verdrag. Vanaf 2021 gaat een verstrenging van de MARPOL Annex II lozingsstandaarden van kracht voor de zogenaamde ‘persistent floaters’ zoals paraffine-achtige stoffen. De komende jaren zal de impact van deze verstrenging van lozingsstandaarden op zee worden gemonitord.

Olieverontreiniging in Belgische havens en de Westerschelde

Tijdens de transitvluchten van de luchthaven van Antwerpen (de thuisbasis van het vliegtuig) naar de Noordzee werd één olievlek waargenomen in de haven van Antwerpen en één accidentele olieverontreiniging in de Westerschelde. Deze was het gevolg van corrosie tussen de ballast- en sludgetanks van het containership Hansa Rendsburg, waardoor bij het legen van de balasttank sludge (oliebezinksel) mee naar buiten werd gepompt. Beide vaststellingen werden onmiddellijk gerapporteerd aan de bevoegde autoriteiten om een opvolging te verzekeren.

Monitoring van de zwavel- en stikstofuitstoot door schepen op zee

Door de toepassing van een sniffer-sensor in het vliegtuig staat ons land bekend als een pionier in de internationale strijd tegen de luchtvervuiling door schepen op zee. De sensor laat toe om op het terrein polluenten te meten in de uitstoot van schepen.

Zwavelmetingen staan reeds sinds 2016 op het programma. Om de strenge zwavellimieten voor scheepsbrandstof in het Noordzee zwavelemissie-controlegebied te monitoren werden 25 sniffer-vluchten (36 uren) uitgevoerd met het vliegtuig. Van de 394 schepen waarvan de zwaveluitstoot gemeten werd vertoonden 10 een verdacht hoge zwavelwaarde. Deze werden gerapporteerd aan de bevoegde maritieme inspectiediensten voor verdere opvolging aan wal.

Een kalibratie van de sniffer-sensor wordt uitgevoerd voor elke vlucht. © KBIN/BMM

Door de succesvolle integratie van een NOx-sensor kan het vliegtuig nu ook de concentratie aan stikstofverbindingen (NOx) in de rookpluimen van schepen meten. Deze nieuwe sensor werd in 2020 uitvoerig getest, waarbij ook de stikstofuitstoot van de 394 gecontroleerde schepen kon worden bepaald. Ook de bijhorende monitorings- en rapporteringsprocedures werden uitgewerkt, wat maakt dat België als eerste klaar is om boven zee in te zetten op de monitoring en handhaving van de strenge beperkingen die vanaf 1 januari 2021 in de Noordzee gelden met betrekking tot de stikstofuitstoot van schepen. Het KBIN blijft zo internationaal een sleutelrol spelen op gebied van MARPOL Annex VI. Tijdens de testen van 2020 werd trouwens vastgesteld dat de meerderheid van de gecontroleerde schepen reeds in overeenstemming was met de nieuwe regels, al werden ook enkele schepen gedocumenteerd met stikstofconcentraties in hun uitstoot die meer dan het dubbele bedroeg van de grenswaarden die vanaf 2021 gelden.

Aanvliegen van een schip voor controle van de zwavel- en stikstofuitstoot. © KBIN/BMM

Internationale ‘Tour d’Horizon’ zending

Tijdens de jaarlijkse internationale TdH-missie ter controle van zeeverontreiniging afkomstig van boorplatformen in het centrale deel van de Noordzee (in de Nederlandse, Deense, Britse en Noorse offshore wateren), uitgevoerd in kader van het Bonn Akkoord in September 2020, detecteerde het toezichtsvliegtuig in totaal 24 polluties. Vanwege de Covid-19 pandemie was het team genoodzaakt de klassieke vliegroute met stops in meerdere Noordzeelanden te wijzigen, en uitsluitend te opereren vanuit het Verenigd Koninkrijk.

Van de 24 gedetecteerde polluties konden 21 rechtstreeks gelinkt worden aan een olieplatform. De 3 resterende waarnemingen – 2 olievlekken en een detectie van een andere schadelijke stof – werden allen waargenomen zonder schip of platform in de buurt. Al de waarnemingen werden systematisch gerapporteerd aan de bevoegde Kuststaat, voor verdere opvolging overeenkomstig de internationale procedures.

Olie aan een boorplatform, zoals waargenomen vanuit het toezichtvliegtuig tijdens de internationale TdH-missie in 2020. © KBIN/BMM

Monitoring van zeezoogdieren

In 2020 voerde het KBIN boven de Belgische wateren twee vluchten uit voor het bepalen van de verspreiding en de dichtheid van bruinvissen. Dergelijke surveys worden ook in andere Noordzeelanden op een gestandaardiseerde manier uitgevoerd zodat meerjarige resultaten worden bekomen die een beeld geven van de populatiedynamiek in de hele zuidelijke en centrale Noordzee. De seizoenale surveys konden helaas – omwille van beperkingen door Covid-19 – enkel uitgevoerd worden eind juni en begin september. Hoewel deze maanden buiten de periodes vallen waarin traditioneel de hoogste aantallen bruinvissen worden aangetroffen in onze wateren, werden nog behoorlijke aantallen bruinvissen gespot.

Tijdens de vlucht van eind juni werden 34 bruinvissen waargenomen, begin september waren het er 37. De resulterende schatting van de gemiddelde dichtheid voor het Belgische deel van de Noordzee was in beide surveys quasi dezelfde, respectievelijk 0,56 en 0,55 bruinvissen per km², of in totaal naar schatting 1900 bruinvissen. Tijdens de survey in juni werden ook drie zeehonden waargenomen, en tijdens de survey in september 13, het hoogste aantal zeehonden ooit tijdens een Belgische zeezoogdierensurvey. Onder die zeehonden bevonden zich minstens drie volwassen grijze zeehonden. Tijdens de survey in september werd in het noordwestelijke deel van de Belgische wateren ook nog een tuimelaar gezien.

Zeehonden met beschadigde kop in 2021: wetenschappelijke bevindingen

Tot nu toe spoelden in 2021 reeds 22 dode zeehonden aan langs de Belgische kust. De helft daarvan, meestal jonge grijze zeehonden, vertoonde karakteristieke verwondingen aan de nek en kop. Er werd over onthoofdingen gesproken, en dit veroorzaakte heel wat opschudding. Een forensische analyse door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Luik concludeert dat deze zeehonden onbedoelde bijvangst waren van de  professionele visserij met warrel- of kieuwnetten. Het plotse grote aantal dode dieren kan worden verklaard door het hoge aantal jonge grijze zeehonden dat momenteel aan onze kust aanwezig is, in navolging van de grote populatiegroei in het zuidoosten van Engeland.

Zeehonden, zowel de gewone zeehond als de grijze zeehond, zijn niet langer bedreigde diersoorten in het zuidelijk deel van de Noordzee: populaties groeien, en zijn voor wat betreft de grijze zeehond omvangrijker dan in om het even welke periode in de geschiedenis van de Noordzee. Dit betekent ook dat zeehonden steeds nadrukkelijker aanwezig zijn in onze wateren en op onze stranden.

Vanaf december 2020 tot het voorjaar van 2021 was er een invasie van zeer jonge grijze zeehonden: dagelijks werden jonge dieren opgemerkt aan onze kust. Ongetwijfeld was het overgrote deel van deze dieren afkomstig uit kolonies in het zuidoosten van het Verenigd Koninkrijk, waar recordaantallen grijze zeehonden geboren werden in november en december 2020. Zo werden in de grootste kolonie, die van Blakeney Point (Norfolk, Engeland), in de winter van 2020-2021 ongeveer 4.000 grijze zeehonden geboren tegenover 3.399 in 2019-2020 en amper 25 in 2001.

Dode zeehonden in 2021

Samen met het hoge aantal waarnemingen van grijze zeehonden spoelden de laatste weken ook opvallend veel zeehonden dood aan, soms meerdere per dag: dit jaar al 22. De helft van deze dieren, de meeste daarvan zeer jonge grijze zeehonden die werden geboren in de voorbije winter, vertoonde een karakteristieke verwonding aan de nek en kop. De meeste spoelden aan tussen Oostende en De Panne. In samenwerking met een dierenarts en een forensisch patholoog werd een aantal van de dieren die typische verwondingen vertoonde, onderzocht.

Gescalpeerde Grijze Zeehond, Oostduinkerke, 20 maart 2021 (© Brandweer Westhoek)

De verwondingen op de jonge grijze zeehonden zijn nagenoeg identiek. De volgende waarnemingen en conclusies werden gemaakt:

  • De kop is meestal niet weg maar wel zwaar beschadigd; de schedel is er vaak nog, met breuken en blootliggend bot: de bovenliggende huid en weefsel zijn verdwenen;
  • Het vel is in een cirkelvormige manier rond de nek afgerukt van de kop vanaf de nek (scalpering);
  • De verwondingen zijn post-mortem (geen bloeduitstortingen in het vetweefsel dat blootligt);
  • De verwonding is eerder een scheurwonde, in laagjes; er zijn geen haartjes doorgesneden, wat insnijding door een scherp mes uitsluit;
  • De verwondingen werden veroorzaakt door mechanische actie: niet door messen maar door een roterend toestel.

Vermoedelijke oorzaak van de verwondingen

Aaseters hebben het gemakkelijkst toegang tot een dode zeehond via de kop. Zo zullen meeuwen snel de ogen uitpikken, en vandaar verder vet en vlees wegpikken via de kop. Zeker bij dieren in ontbinding ontstaat vaak eerst belangrijke schade aan de kop. De verwondingen bij de dode zeehonden in het voorjaar van 2021 hebben echter duidelijk een identieke achtergrond die niet bij aaseters moet gezocht worden, maar bij een menselijke factor.

Onze conclusies van het onderzoek zijn de volgende:

  • De zeehonden zijn incidenteel gevangen bij professionele visserij met warrel- of kieuwnetten, ze zitten vast in het net dat op de bodem staat en verdrinken.
  • De dieren zitten vast met de kop in het net; het systeem van ophalen van een net (systeem met een grote katrol/”drum”) veroorzaakt, samen met het fijne nylon garen, een cirkelvormige insnijding, niet typisch voor een messnede, en leidt tot het draaien van de kop van de zeehonden door het systeem met verbrijzeling van de onderkaak en bovenkaak en met scalperen van de schedel.
  • Na de vangst worden de dieren door de vissers overboord gezet.

De volgende randbemerkingen zijn belangrijk:

  • Het aantal aangespoelde zeehonden is slechts een fractie van het totaal aantal incidenteel gevangen zeehonden.
  • Dieren die zeer vers zijn bij aanspoelen, zijn zeer dicht bij de kust incidenteel gevangen. Dieren in staat van ontbinding kunnen zowel dicht bij als verder van de kust af incidenteel gevangen zijn.
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat vissers moedwillig zeehonden doden.
  • Waarschijnlijke verklaring voor het plotse grote aantal dode dieren is het hoge aantal jonge grijze zeehonden dat momenteel aan onze kust aanwezig is, iets wat vroeger veel minder het geval was.
  • Mogelijke verklaringen waarom vrijwel enkel relatief kleine zeehonden dergelijke verwondingen vertonen, is dat (1) grotere zeehonden bij bovenhalen uit het net door hun gewicht uit het net zullen vallen voor ze met de trommel in contact komen en (2) veel meer kleine zeehonden aanwezig waren in deze periode.
  • Incidentele vangst van zeehonden is goed gekend, en wordt onder meer in het kader van het OSPAR Verdrag en uitvoering van Europese richtlijnen behandeld. De incidentele vangst kan niet beschouwd worden als een overtreding. Wat wel noodzakelijk is maar vrijwel nooit gebeurt, is de melding van bijvangst aan de overheid indien de bijvangst plaatsvindt bij een Belgisch vissersvaartuig (verplicht volgens KB van 21 december 2001).
  • De sterfte van zeehonden door incidentele vangst is in onze wateren niet van een niveau dat het populaties van zeehonden in gevaar brengt. De bijvangst is mogelijk wel problematisch in het kader van onze verplichtingen binnen de Europese Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.

Besluit

De hernieuwde aanwezigheid van zeehonden leidt tot conflicten: steeds vaker worden zeehonden incidenteel gevangen tijdens visserij-activiteiten, zowel recreatieve als professionele.

Professionele visserij met kieuw- en warrelnetten ligt vermoedelijk aan de basis van de typische verwondingen bij minstens 11 aangespoelde zeehonden in 2021. Het zijn meestal jonge grijze zeehonden geboren in de winter van 2020-2021 die na het spenen starten met hun omzwervingen in de zuidelijke Noordzee. Bij kieuw- en warrelnetvisserij worden vaak kilometerslange netten uitgezet vanaf een vaartuig. De netten worden tot 24 uren ter plaatse gelaten. In het zuidelijke deel van de Noordzee is deze visserij vooal intensief in de maanden februari tot mei, het seizoen waarin tong migreert. Dit visserijtype is populair in het noorden van Frankrijk, en wordt in onze kustwateren zeer weinig bedreven. De Franse vissers hebben geen toegang tot onze twaalfmijlszone. In het noorden van Frankrijk stelt men hetzelfde fenomeen van hoge aantallen gestrande jonge grijze zeehonden vast.

Incidentele vangst van zeezoogdieren moet beschouwd worden als één van de negatieve effecten die visserij heeft op het ecosysteem. Omdat zeehonden populair zijn, leidt dergelijke sterfte vaak tot publieke verontwaardiging. Daarbij moet men ook beseffen dat elke vorm van visserij een impact heeft op het ecosysteem, en staand wantvisserij, gevaarlijk voor zeezoogdieren, heeft voordelen voor het milieu tegenover boomkorvisserij, zoals voor wat betreft CO2-uitstoot, selectiviteit en bodemverstoring.

 

Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) voert, samen met een aantal wetenschappelijke instituten, al sinds het begin van de jaren 1990 onderzoek uit op zeezoogdieren die in België (en in mindere mate Noord-Frankrijk) aanspoelen. Hierover wordt regelmatig gerapporteerd in vaktijdschriften en in het kader van internationale verplichtingen. Sinds 2014 publiceert het Instituut ook jaarrapporten over zeezoogdieren. Deze kunnen geraadpleegd worden op www.marinemammals.be/reports.

Het KBIN houdt er aan de vele vrijwilligers die strandingen gemeld hebben, in het bijzonder deze van het NorthSealTeam, de technische diensten en brandweerdiensten van de kustgemeenten, en de forensisch patholoog en de dierenarts te danken voor de medewerking.

 

Tekst: Jan Haelters(1), Francis Kerckhof(1), Kelle Moreau(1) en Thierry Jauniaux(2)

(1) Wetenschappelijke Dienst Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM); Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN)

(2) Faculté de Médecine vétérinaire, Département de morphologie et pathologie (DMP) – Faculté des Sciences, Département de Biologie, Ecologie et Evolution; Université de Liège

Je mening over het stroomgebiedsbeheerplan voor de kustwateren (2022-2027)

Van 1 maart tot en met 30 september 2021 organiseert de Dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid een openbare raadpleging over het ontwerp van het ‘derde stroomgebiedsbeheerplan voor de Belgische kustwateren’. Zo krijgt het grote publiek de kans om zijn mening te geven en kan de overheid hiermee rekening houden bij het uitwerken van het definitieve plan.

Dit stroomgebiedsbeheerplan wordt opgesteld in uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, die in 2000 werd goedgekeurd door de Europese Unie. Doel van deze richtlijn is om een goede toestand van alle waterlichamen (rivieren, meren, kust- en overgangswateren en grondwater) te bereiken en te behouden. De Belgische federale overheid is bevoegd voor het beheer van de Belgische kustwateren.

Meer informatie, het ontwerp van het plan, en instructies om je opmerkingen over te maken vind je op www.consult-leefmilieu.be.

Bruinvissen in illegale recreatieve visnetten, maart 2021

Op 8 maart 2021 kwam een bruinvis vast te zitten in een illegaal geplaatst kieuw- of warrelnet op het strand van Oostduinkerke (Koksijde). Bruinvissen die vastraken in dergelijke netten verdrinken bij opkomend tij. Dit dier (zie eerste foto en de daaropvolgende videolinks) kon net op tijd door een alerte strandbezoeker gered worden. Een andere bruinvis die op 4 maart in dezelfde buurt op het strand werd aangetroffen bleek echter zeer recent te zijn gestorven en kwam waarschijnlijk op deze manier om het leven (foto onderaan).

Bruinvis in kieuwnet te Oostduinkerke (Koksijde), 8 maart 2021 ©Filip Van Bellinghen

Video 1 – bruinvis Koksijde 8 maart 2021 © Filip Van Bellinghen

Video 2 – bruinvis Koksijde 8 maart 2021 © Filip Van Bellinghen

Het betreffende type netten werd in België reeds in 2001 verboden voor recreatief gebruik op zee. In 2015, na een rechtzaak tegen ons land door de Europese Commissie, volgde ook een verbod op het recreatief gebruik ervan op het strand. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen neemt inbreuken zeer ernstig, en meldt overtredingen systematisch aan de bevoegde diensten. Zij treden vervolgens op tegen de personen die de illegale netten op het strand plaatsten.

Bruinvis aangetroffen op strand van Oostduinkerke (Koksijde), 4 maart 2021 ©Aäron Fabrice de Kisangani

EuroSea – Verbeteren en integreren van de Europese systemen voor oceaanobservatie en -voorspelling voor een duurzaam gebruik van de oceanen

 

Oceaanwaarnemingen en -voorspellingen zijn van cruciaal belang voor alle activiteiten die met de oceanen verband houden, van wetenschap tot blauwe economie en van beheer tot interacties tussen oceaan en mens. Ondanks het grote belang van de oceaan voor de samenleving zijn er fundamentele lacunes in de huidige systemen voor oceaanobservatie en -voorspelling, waardoor ons vermogen om onze activiteiten in de oceaan op duurzame wijze te beheren, wordt beperkt. Deze lacunes kunnen niet door afzonderlijke naties worden opgevuld.

Samenwerking om lacunes op te vullen

Het project EuroSea ondersteunt de Europese integratie van gecoördineerde waarnemingen en voorspellingen van de toestand en de variabiliteit van de oceanen die op lange termijn kunnen worden gehandhaafd. Drie ‘innovation demonstrator’ werkpakketten zijn gericht op operationele diensten, oceaangezondheid en klimaat.

De EuroSea-visie: bevordering van onderzoek en innovatie om te komen tot een gebruikersgericht, interdisciplinair en responsief Europees systeem voor oceaanobservatie en -voorspelling, dat de essentiële informatie oplevert die nodig is voor het welzijn en de veiligheid van de mens, duurzame ontwikkeling en de blauwe economie in een veranderende wereld.

EuroSea is een Actie voor Innovatie van de EU met als titel “Verbeteren en integreren van de Europese systemen voor oceaanobservatie en -voorspelling voor een duurzaam gebruik van de oceanen” en maakt deel uit van het “The Future of Seas and Oceans Flagship Initiative”, dat wordt gefinancierd via de oproep tot het indienen van voorstellen voor blauwe groei in het kader van Horizon 2020 (BG-07-2019-2020). Het project brengt belangrijke Europese actoren op het gebied van oceaanobservatie en -voorspelling samen met belangrijke eindgebruikers van oceaanobservaties. Een interdisciplinair consortium van 55 partners werkt gedurende 50 maanden samen en kreeg een budget van bijna 12,6 miljoen euro toegewezen. Het project wordt gecoördineerd door GEOMAR Helmholtz Centre for Ocean Research Kiel, Duitsland. De aftrap (1e EuroSea Annual Meeting) vond plaats in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel op 27-29 november 2019, georganiseerd door GEOMAR, KBIN en EuroGOOS. KBIN is actief in het werkpakket ‘Communication: Engagement, Dissemination, Exploitation and Legacy” dat onder meer het EuroSea-communicatieplan (gecoördineerd door EuroGOOS, KBIN en GEOMAR) en de hierboven gepresenteerde EuroSea-video (gecoördineerd door SOCIB – Balearic Islands Coastal Observing and Forecasting System) heeft geproduceerd.

Het EuroSea-consortium tijdens de kick-off meeting in het Museum voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel, 27 november 2019 ©Michael Chia

Tweede jaarlijkse vergadering en Algemene Vergadering van EuroSea

De (virtuele) tweede EuroSea-week vond plaats van 18 tot en met 22 januari 2021 en werd bijgewoond door meer dan honderd projectdeskundigen en gastsprekers van verwante mondiale en Europese initiatieven.

Het DG Onderzoek en Innovatie van de Europese Commissie deelde zijn ambities en benadrukte de belangrijke rol van EuroSea bij het helpen verbeteren van de kennis van de oceanen en duurzaamheid. Het pas opgerichte Europese kantoor van de G7, dat is ondergebracht bij Mercator Ocean International in Toulouse (Frankrijk), deelde zijn plannen met betrekking tot het initiatief van de G7 inzake de toekomst van oceanen en zeeën. Er werden presentaties gegeven door internationale en Europese programma’s en initiatieven voor de coördinatie van oceaanobservatie, waaronder het Global Ocean Observing System (GOOS) – programma in het kader van UNESCO-IOC, het Integrated Marine Observing System (IMOS) – de regionale alliantie van GOOS in Australië, en het kader van het European Ocean Observing System onder leiding van EuroGOOS en de European Marine Board.

De EuroSea-werkpakketten presenteerden de vooruitgang die tijdens de eerste 14 maanden van het project is geboekt, gericht op een betere coördinatie van de Europese oceaanobservatie en -voorspelling. Tijdens de week werd bijzondere nadruk gelegd op de impactbeoordeling van EuroSea. Het protocol dat door de leiders van de werkpakketten 1 (bestuur) en 8 (engagement, verspreiding, exploitatie & nalatenschap) is voorgesteld bestaat erin de belangrijkste EuroSea-impactgebieden te bepalen en een traject uit te stippelen voor de analyse van de impact binnen elk van deze gebieden, die kan worden gemeten of geïllustreerd. De impact van EuroSea strekt zich uit over coördinatie, besluitvormingsondersteuning, wetenschap en operationele diensten, waarbij in de loop van het project vele innovaties zijn gepland. De beste praktijken die tijdens het project worden verzameld zullen via het ‘IOC Ocean Best Practices System’ ter beschikking worden gesteld aan de mondiale oceanografische gemeenschap.

Diversiteit en inclusie vormden een ander speciaal aandachtspunt van de week, met de presentatie door de EuroSea Gender and Diversity Board van de eerste resultaten van zowel een institutionele als een individuele enquête bij de EuroSea-partners. Tijdens een daaropvolgende sessie om ideeën in kaart te brengen, wisselden de deelnemers van gedachten over de toekomst van EuroSea op het gebied van gender, diversiteit, carrière en cultuur, in samenhang met het wetenschappelijke en innovatieve werk van het project en zijn gemeenschap.

In de loop van de week werden vier wetenschappelijke lunches georganiseerd met zeven presentaties waarin een reeks EuroSea-taken werd belicht, gaande van gegevensverzameling tot producten en diensten of netwerkcoördinatiemechanismen.

10 Europese projecten die relevant zijn voor de doelstellingen van EuroSea werden uitgenodigd om hun inspanningen in flash talks voor het voetlicht te brengen. De samenwerking tussen EuroSea en sommige van deze projecten is reeds op gang gebracht via de ‘Horizon Results Booster’ van de Europese Commissie.

De algemene vergadering sloot de week af met de verkiezingen voor de raad van bestuur, plannen voor de exploitatiestrategie van het project en een discussie over de aanbevelingen van de EuroSea internationale wetenschappelijke en technische adviesraad.

België in de frontlinie tegen luchtverontreiniging door schepen op de Noordzee

Deskundigenworkshop MARPOL bijlage VI, februari 2021

Van 2 tot en met 5 februari 2021 is een deskundigenworkshop gehouden met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategie en operationele procedures voor de monitoring van luchtemissies door schepen in het gebied van de Grote Noordzee. De workshop werd voorgezeten door Ronny Schallier van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en werd afgesloten met een reeks aanbevelingen die verder zullen worden onderzocht. Een veelbelovende start!

Het Kustwachtvliegtuig van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (BMM) ©KBIN/BMM

Verontreiniging door scheepvaart moet internationaal worden aangepakt

Het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL) is een verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en vormt het belangrijkste mechanisme ter voorkoming van verontreiniging van het mariene milieu door schepen als gevolg van operationele of accidentele oorzaken. In zes bijlagen zijn regels opgenomen voor de preventie van verschillende soorten verontreiniging. De bijlagen I tot en met V hebben betrekking op verschillende stoffen die rechtstreeks door schepen in het water kunnen worden geloosd (olie, andere schadelijke vloeistoffen, schadelijke stoffen in verpakte vorm, afvalwater en vuilnis), terwijl bijlage VI betrekking heeft op luchtverontreiniging door schepen.

Op regionale schaal werken tien landen rond de Noordzee en haar wijdere toegangswegen, samen met de Europese Unie, aan de aanpak van de verontreiniging van de Noordzee door schepen in het kader van het Bonn Akkoord. Preventie, paraatheid en bestrijding staan op de agenda. Het werkterrein van dit akkoord is onlangs uitgebreid met het toezicht op MARPOL bijlage VI, wat de ontwikkeling van een opvolgingsstrategie voor de gehele regio impliceert.

De weg naar geharmoniseerde en gecoördineerde monitoring

Op 2-5 februari 2021 hebben meer dan 60 deskundigen van de ondertekenende partijen van het Bonn Akkoord deelgenomen aan de workshop, samen met de voorzitter van het North Sea Network van Onderzoekers en Aanklagers en vertegenwoordigers van andere regionale overeenkomsten. De plenaire zitting werd voorgezeten door Ronny Schallier van de Belgische Wetenschappelijke Dienst BMM (Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, onderdeel van KBIN; deskundigen Ward Van Roy en Kobe Scheldeman van het BMM-luchttoezichteam waren ook medeorganisator van de vergadering) en er werden vier parallelle break-out groepen georganiseerd om de juridische, operationele en wetenschappelijke kwesties in verband met de controle en handhaving van MARPOL bijlage VI te bespreken. Namens België leverde ook DG Scheepvaart (FOD Mobiliteit en Vervoer) een waardevolle bijdrage, waarin de juridische context en de rol van haveninspecties werden toegelicht.

Het gebruik van de verschillende platformen en sensoren voor de monitoring van zwaveloxiden (SOx) en stikstofoxiden (NOx) in de emissies van schepen werd overwogen, samen met regionale opvolgingsprogramma’s en het gebruik van de middelen van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) om de regionale samenwerking te stimuleren. De workshop werd afgesloten met een reeks aanbevelingen die verder moeten worden onderzocht door een strategische en operationele werkgroep en een technische werkgroep onder de paraplu van de belangrijkste technische werkgroep van de overeenkomst, OTSOPA.

“Zwaveloxiden en stikstofoxiden in de emissies van schepen hebben niet alleen een aanzienlijke invloed op het milieu, maar zijn ook belangrijke veroorzakers van fijne stofdeeltjes en vormen een ernstig probleem voor de volksgezondheid. Deze workshop kan worden beschouwd als een succesvolle start van een gecoördineerde, doeltreffende controle op de naleving van de strenge internationale normen voor scheepsemissies op de Noordzee”, aldus Ronny Schallier. “In de strijd tegen luchtverontreiniging door schepen zullen de 10 landen van het Bonn Akkoord en de EU gezamenlijk verschillende platformen (vliegtuigen, drones, vaste meetstations) en innovatieve sensoren inzetten in het hele Noordzeegebied, van de Golf van Biskaje tot de Schotse en Noorse wateren. In deze gezamenlijke inspanning zal het Kustwachtvliegtuig van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (BMM) een belangrijke voortrekkersrol blijven spelen.”

Gent wordt peterstad van het nieuwe onderzoeksschip Belgica

PERSBERICHT Kabinet Wetenschapsbeleid & Stad Gent, 31 januari 2021

De stad Gent wordt de peterstad van het nieuwe Belgische onderzoeksschip Belgica. Het schip zal in september 2021 in Gent worden gedoopt. Dit werd op 31 januari 2021 bekendgemaakt door de staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, Thomas Dermine, en de burgemeester van Gent, Mathias De Clercq.

Het nieuwe onderzoeksschip Belgica. ©Freire Shipyard

De stad Gent wordt de peterstad van het nieuwe onderzoeksschip. De staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, Thomas Dermine, nam deze beslissing na overleg met de burgemeester van Gent Mathias De Clercq. De stad Gent had al eerder belangstelling getoond om de peterstad van het geavanceerde onderzoeksschip te worden. Een kandidatuur die gesteund wordt door de Universiteit van Gent, een belangrijke wetenschappelijke partner van de Belgica.

“Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan het schip in Vigo, Spanje, dat intussen ook uitgebreid wordt getest. In september 2021 wordt in Gent de Belgische trots op het gebied van marien onderzoek en mariene technologie gedoopt,” jubelt staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Thomas Dermine. “Met de Belgica dragen wij ertoe bij dat ons land een van de wereldleiders wordt op het gebied van zee- en onderwaterexploratie. Ik ben erg blij met het enthousiasme van Gent om de peterstad te worden van dit uitzonderlijke schip”, vervolgt Thomas Dermine.

“Wij zijn bijzonder vereerd en trots om de peterstad te zijn van het nieuwe onderzoeksschip Belgica”, zegt burgemeester Mathias De Clercq enthousiast. “Gent zal deze titel gebruiken om de belangstelling van jongeren en scholen voor wetenschap te stimuleren en om de troeven van Gent als kennisstad en havenstad optimaal uit te spelen. Het schip wordt aangedreven door Gentse motoren en de Gentenaars zullen de Belgica met trots verwelkomen”, vervolgt Mathias De Clercq.

De nieuwe Belgica, een oceanografisch onderzoeksschip van 71 meter lang, zal de komende decennia een sleutelrol spelen in het Belgische en Europese mariene onderzoek.

Vanaf het najaar van 2021 zal het schip op expeditie gaan om onderzoek te doen naar tal van vraagstukken, zoals de strijd tegen de opwarming van de aarde en een betere bescherming van het milieu.

Als multidisciplinair onderzoeksschip zal de Belgica wetenschappelijk onderzoek ondersteunen op het gebied van visserij, biologie, geologie, klimaat en chemie.

De Belgische Staat, vertegenwoordigd door het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO), is de eigenaar van het schip. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) zal het schip beheren in samenwerking met het ministerie van Defensie en een private exploitant.

Het nieuwe onderzoeksschip Belgica zal het huidige onderzoeksschip Belgica (in 1984 in de vaart genomen) opvolgen dat in de afgelopen 36 jaar bijna een miljoen kilometer heeft afgelegd en meer dan 1000 wetenschappelijke expedities mogelijk heeft gemaakt.

Net als zijn voorganger zal de Belgica opereren binnen het Europese EUROFLEETS-netwerk, dat Europese onderzoekers toegang geeft tot een gemeenschappelijke infrastructuur voor marien onderzoek.

Het nieuwe schip zal in september in Gent worden ingehuldigd na een inwijdingstocht tussen Zeebrugge en Gent in aanwezigheid van Prinses Elisabeth. Ter herinnering, de hertogin van Brabant is de meter van de nieuwe Belgica.

In de marge van deze officiële inhuldiging zullen activiteiten voor het grote publiek worden georganiseerd.

Het nieuwe onderzoeksschip Belgica. ©Freire Shipyard
Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Thomas Dermine en Burgemeester Mathias De Clercq bezegelen het Gentse peterschap.

Publieke raadpleging: aanvragen concessie voor zand- en grindwinning

Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, afdeling Kust, van C.B.R. Cementbedrijven nv – Afdeling SAGREX en De Hoop Bouwgrondstoffen bv c.o. SATIC nv hebben een aanvraag ingediend voor een verlenging en/of uitbreiding van hun concessie voor zand- en grindwinning op het Belgisch Continentaal Plat. De exploitatie van zand en grind is onderworpen aan een milieueffectenbeoordelingsprocedure.

Zand en grind uit de Noordzee wordt op korrelgrootte gesorteerd. © KBIN/K. Moreau

De concessieaanvragen en het milieueffectbeoordelingsrapport, inclusief ontwerp van passende beoordeling, worden hieronder voorgelegd. Ontvangen bezwaarschriften worden toegevoegd na afloop van de publieke raadpleging.

Aanvragen

Afdeling Kust_begeleidend schrijven_20201207_br_FOD Economie_aanvraag concessie

Afdeling Kust_formulier-aanvraag-concessie

CBR Sagrex – aanvraagformulier

De Hoop – aanvraagformulier

Dieptekaart-concessieaanvraag 2021-2031_definitief plan

Milieueffectbeoordelingsrapporten

2020-BE0119000341_MER Zandwinning_v7.0_Finaal_20201112_incl Bijlagen

NTS EN_BE0119000341_MER Zandwinning_20201112

NTS NL_BE0119000341_MER Zandwinning_20201112

Resultaten van de raadpleging

20210311_zandwinning_bezwaarschrift_4Sea

20210304_zandwinning_bezwaarschrift_SandradeGier

20210304_zandwinning_bezwaarschrift_KarinGielen

De inzageperiode van de raadpleging loopt van 29 januari t.e.m. 27 februari 2021.

Iedere belanghebbende kan zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren tot en met 14 maart 2021 per brief of per email overmaken aan mevrouw Brigitte Lauwaert.

BMM
T.a.v. Mevr. Brigitte Lauwaert
Vautierstraat 29
1000 Brussel

blauwaert@naturalsciences.be

 

 

Milieu-impact van offshore windparken – Resultaten van ’s werelds grootste operationele windzone

Terwijl België zich ontpopte tot een wereldleider in de offshore windindustrie, ontwikkelden de Belgische wetenschappers die de milieu-impact van offshore windparken monitoren ook een uitgebreide kennis en expertise. Kort na de voltooiing van de eerste Belgische offshore windzone (de grootste ter wereld die operationeel is), presenteert het monitoringconsortium zijn meest recente conclusies en aanbevelingen in een nieuw rapport. Verschillende componenten van het mariene ecosysteem worden op verschillende manieren beïnvloed. De impact op het milieu is dan ook geen zwart-wit verhaal. Het in evenwicht brengen van de energie- en biodiversiteitscrisissen werd nooit verwacht een gemakkelijke taak te zijn. De monitoring gaat door, evenals de ontwikkeling van mitigerende maatregelen waar nodig.

De Europese Commissie legt doelstellingen op voor de bijdrage van hernieuwbare energiebronnen aan de totale elektriciteitsproductie van alle lidstaten (Richtlijn 2009/28/EG). Voor België moest tegen 2020 13 % van het totale energieverbruik worden gedekt door hernieuwbare energie. Offshore windparken in het Belgische deel van de Noordzee leveren een belangrijke bijdrage. Een eerste zone van 238 km² langs de grens met Nederland werd gereserveerd voor windparken om dit doel te bereiken. Eind 2020, na 12 jaar bouwen, waren de windparken in deze zone klaar. In totaal zijn nu 399 turbines operationeel in acht windparken, met een geïnstalleerd vermogen van 2,26 Gigawatt (GW) en een productie van gemiddeld 8 TWh. Dit vertegenwoordigt ongeveer 10 % van de totale Belgische elektriciteitsvraag, of 50 % van de elektriciteitsbehoefte van alle Belgische huishoudens. Op dit moment zijn de bouw-werkzaamheden beëindigd, maar een tweede gebied voor hernieuwbare energie van 285 km² is voorzien in het nieuwe Marien Ruimtelijk Plan voor de periode 2020-2026, met de bedoeling een minimum van 2 GW toe te voegen aan de totale Belgische offshore windenergieproductiecapaciteit.

Zones voor offshore windparken in het Belgische deel van de Noordzee. Oostelijk gearceerd gebied = eerste fase, westelijk gearceerd gebied = tweede fase, stippellijnen bakenen zones voor kabels en leidingen af (uit Marien Ruimtelijk Plan 2020-2026, Bijlage 4: Kaarten)

Evenwicht tussen de energie- en de biodiversiteitscrisissen

Het is een grote uitdaging om een evenwicht te vinden tussen de installatie van windparken op zee als maatregelen ter bestrijding van de energie/klimaatcrisis en aanvaardbare milieueffecten in het licht van de bestrijding van de biodiversiteitscrisis. Beide crisissen moeten worden aangepakt, maar binnen randvoorwaarden die de andere crisis niet verergeren. Er moet ook rekening mee worden gehouden dat de Belgische offshore windparken geen unieke gevallen zijn: op de schaal van de zuidelijke Noordzee zijn er ook offshore windparken voorzien in het aangrenzende Nederlandse Borssele-gebied (344 km²) en in de Franse Duinkerke-zone (122 km²). Cumulatieve ecologische effecten zullen de komende jaren dus een belangrijk aandachtspunt blijven. Alleen door nauw samen te werken naar het gemeenschappelijke doel om de productie van hernieuwbare energie met aanvaardbare ecologische effecten op te drijven, kunnen wetenschap, industrie en beleid gezamenlijk de uitdaging aangaan.

Vergunningen en monitoring

Vooraleer een windpark kan worden geïnstalleerd in de Belgische zeewateren, moeten de ontwikkelaars een domeinconcessie en een milieuvergunning bekomen. Deze vergunning legt een wetenschappelijk monitoringprogramma op om de effecten van het project op het mariene ecosysteem te beoordelen en bevat voorwaarden die bedoeld zijn om aspecten van de impact die als onaanvaardbaar worden beoordeeld, te minimaliseren en/of te verzachten. Het monitoringprogramma wordt uitgevoerd door het consortium WinMon.BE. Jaarverslagen die gericht zijn op mariene wetenschappers, beheerders, beleidsmakers en ontwikkelaars van offshore windparken worden gepubliceerd in de ‘Memoirs of the Marine Environment’-reeks van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.

Het monitoringprogramma bestrijkt een breed scala aan ecosysteemcomponenten, van ongewervelden en vissen van zachte sedimenten en (kunstmatige) harde substraten tot zeevogels en zeezoogdieren, en hun interacties. Met andere woorden, de monitoring richt zich niet alleen op de kwantificering van de omvang van de effecten op de mariene ecosystemen, maar beoogt ook de oorzaak-gevolgrelaties van bepaalde effecten aan het licht te brengen.

Onderzoeksschip Belgica documenteert de visfauna in een Belgisch offshore windpark (© ILVO/A. De Backer)

Inzichten op lange termijn

Het nieuwste rapport ‘Environmental Impacts of Offshore Wind Farms in the Belgian Part of the North Sea. Empirical Evidence Inspiring Priority Monitoring, Research and Management’, presenteert een overzicht van de wetenschappelijke bevindingen van de Belgische opvolging van de omgevingsimpact van offshore windparken (WinMon.BE), gebaseerd op gegevens die tot en met 2019 zijn verzameld.

Omdat de verschillende bestudeerde ecosysteemcomponenten op verschillende manieren en op verschillende ruimtelijke en temporele schalen worden beïnvloed door de ontwikkeling van hernieuwbare energie op zee, kan de impact op het milieu niet worden samengevat als positief of negatief. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de nieuwste studies zijn onder meer:

  • Het gebruik van dubbele bubbelgordijnen is gedeeltelijk effectief gebleken om het onderwater-geluid bij de installatie van monopile-funderingen met een diameter van 8 m te verminderen tot een niveau dat in overeenstemming is met de nationale normen.
  • Na een evaluatie van de naleving van de relevante milieuvergunningsvoorwaarden wordt een optimalisatie van het gebruik van akoestische afschrikmiddelen en geluidsbeperkende maatregelen aanbevolen, evenals het formaliseren van onderzoeken naar zeezoogdieren.
  • Meer dan 80% van het geschatte aantal zeevogels dat met turbines in Belgische wateren in botsing komt, zijn grote meeuwen. De locatie van het windpark, de layout en de grootte van de turbines bepalen het verwachte aantal botsingen.
  • Toekomstig onderzoek moet zich richten op specifieke aspecten van de impact op individuele vogels en populaties, en op mitigatie: correlatie tussen verstoring van zeevogels en kenmerken van windmolenparken, de bewegingen van grote meeuwen in en rond de windparken en een empirisch onderbouwd soortverdelingsmodel ter ondersteuning van de mariene ruimtelijke ordening.
  • Sedimenten worden fijner en organisch verrijkt in de buurt van jacket funderingen, wat gepaard gaat met een grotere overvloed en diversiteit aan macrofauna. Typische kustsoorten uit productieve wateren koloniseren de nu fijnere sedimenten rond de turbines.
  • Negen jaar na de bouw ziet men de eerste signalen dat windparken kunnen fungeren als refugium voor vissen die de voorkeur geven aan zachte sedimenten (bijv. schol), waarschijnlijk als gevolg van uitsluiting van de visserij en een verhoogde beschikbaarheid van voedsel, terwijl het rif-effect zich uitbreidt naar zachte sedimenten tussen de turbines (gekoloniseerd door invertebraten van harde substraten).
  • Offshore windparken beïnvloeden de lokale voedselwebben vanaf de basis, waarbij de koloniserende fauna de primaire producenten reduceert, tot hogere trofische niveaus, waarbij verschillende vissoorten zich intensief voeden met de koloniserende fauna.
Luchtzicht op Belgisch offshore windpark (© KBIN/BMM)

Toekomstige monitoring

Dat de eerste Belgische zone voor offshore windparken volledig is voltooid, betekent niet dat er nu een einde komt aan de monitoring. Hoewel het inzicht in de effecten van windturbines op het mariene milieu en zijn bewoners de afgelopen 10 jaar aanzienlijk is toegenomen, valt er nog veel te leren over de milieu-impact van offshore windparken op langere termijn. Om dat mogelijk te maken zal het huidige samenwerkingsmodel waarin wetenschappers en de offshore windindustrie de impact van de operationele fase van de windparken documenteren, actief blijven. “Voorbeelden van velden die we begonnen te verkennen maar waarover we nog niet kunnen rapporteren zijn de verbetering van de modellering van de aanvaringsrisico’s voor vogels en vleermuizen, het monitoren van de impact van continu onderwatergeluid dat wordt gegenereerd door operationele turbines, en de effecten op vispopulaties op langere termijn. Het blijft ook onbekend hoe de aangroeiende fauna op de windturbines verder zal evolueren en hoe waargenomen gedragsveranderingen de individuele fitheid, het voortplantingssucces en het overleven van zeedieren beïnvloeden”, zegt Steven Degraer, coördinator van het WinMon-consortium en hoofd van het Marine Ecology and Management team van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Degraer vervolgt: “De uitbreiding van de samenwerking zal ook toelaten om verder te evolueren op het vlak van het ontwerpen, testen en verbeteren van mitigerende maatregelen om de ongewenste effecten op het mariene ecosysteem rechtstreeks te beheren”.

Ook in de tweede Belgische offshore windzone zullen monitoringactiviteiten op dezelfde manier moeten worden opgestart zodra de bouw daar van start gaat. Het verzamelen van basisgegevens over de toestand van het mariene ecosysteem in dat gebied, waarop een toekomstige evaluatie van de veranderingen gebaseerd zal zijn, is reeds aan de gang. Bovendien vereisen de snel evoluerende technologie en bouwpraktijken een frequente herbeoordeling van eerder waargenomen effecten.

Intussen krijgt ook de Belgische expertise op het gebied van de monitoring van de milieu-impact van offshore windparken internationale aandacht. “Monitoringplannen die geïnspireerd zijn op de Belgische werkzaamheden worden zowel in Frankrijk als in de Verenigde Staten opgezet, zodat België niet alleen moet worden beschouwd als een wereldleider in de offshore windindustrie, maar ook in de monitoring van hun milieu-impact”. besluit Degraer.

 

Het Monitoring Programma WinMon.BE is een samenwerking tussen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) en de Onderzoeksgroep Mariene Biologie van de Universiteit Gent, en wordt gecoördineerd door het Marine Ecology and Management Team (MARECO) van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.