Luchtobservaties boven de Noordzee in 2025

In 2025 documenteerde het Instituut voor Natuurwetenschappen met het Kustwachtvliegtuig 96 gevallen van zee-en-luchtverontreiniging. 13 hadden betrekking op olievlekken en 5 op lozingen van andere schadelijke stoffen. Verder vertoonden respectievelijk 23 en 55 schepen verdachte zwavel- en stikstofwaarden in de rookpluimen. De overige activiteiten bestonden onder meer uit vluchten in het kader van ruimer maritiem toezicht ten dienste van de Kustwachtpartners, visserijcontroles en zeezoogdierentellingen.

Het Kustwachtvliegtuig boven de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

In 2025 voerde het Belgische Kustwachtvliegtuig 185 vlieguren uit boven de Noordzee in het kader van het nationale luchttoezichtprogramma. Dit programma wordt georganiseerd door de Wetenschappelijke Dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee” (BMM) van het Instituut voor Natuurwetenschappen, in samenwerking met Defensie.

Het merendeel van de vlieguren betrof nationale vluchten, goed voor in totaal 145 vlieguren. Daarvan werd 135 uur uitgevoerd in het kader van de Belgische Kustwacht. Binnen deze vluchten werd 94 uur ingezet voor een ruimer maritiem toezicht: toezicht op lozingen van olie, andere schadelijke stoffen en afval (45,5 uur, in het kader van MARPOL-bijlagen I, II en V), monitoring van zwavel- en stikstofuitstoot door schepen (48,5 uur, met het oog op de handhaving van MARPOL-bijlage VI) en visserijcontrole (35 uur, in opdracht van de Vlaamse dienst Zeevisserij). Ook werd luchtsteun verleend tijdens meerdere oefeningen voor pollutiebestrijding op zee. De resterende nationale vlieguren werden besteed aan de monitoring van zeezoogdieren (10,5 uur).

Daarnaast gingen 40 uren naar internationale vluchten in het kader van het Akkoord van Bonn. Het ging om een Tour d’horizon-missie ter controle van boorplatformen in de Noordzee (noordelijk tot Noorwegen en Schotland) en een meerdaagse campagne aan de grens van het emissiecontrolegebied (Emission Control Area – ECA) ter hoogte van Bretagne voor de monitoring van de uitstoot van schepen op zee.

Scheepslozingen op zee

In 2025 werden geen operationele (= doelbewuste) olieverontreinigingen vastgesteld in het Belgische deel van de Noordzee. Hierdoor blijft de dalende trend van de afgelopen 35 jaar overeind.

Aantal geobserveerde operationele olieverontreinigingen per vlieguur in het Belgische deel van de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/ BMM)

Wel werden 3  gevallen van operationele verontreiniging met andere schadelijke vloeistoffen dan olie (MARPOL Bijlage II) waargenomen in het Belgische deel van de Noordzee, telkens zonder vervuiler in de buurt. Hierdoor was het niet mogelijk om na te gaan welk type vloeistof, anders dan olie, precies in zee werd geloosd.

Het lozen van andere schadelijke vloeistoffen dan olie vormt nog steeds een courant probleem. Tot 2022 leek het aantal waarnemingen in stijgende lijn te evolueren. De lichte daling die in 2023 werd genoteerd zette zich in 2024 verder en lijkt in 2025 stand te houden. Dit heeft mogelijk te maken met verscherpte regelgeving op de lozingsstandaarden voor dergelijke stoffen (onder meer met het invoeren van strenge lozingsnormen voor zogenaamde ‘Persistent Floaters’ zoals paraffine-achtige stoffen sinds 2021) en lijkt een bemoedigende kentering.

Gezien de lage pakkans, de grote jaarlijkse schommelingen in het aantal observaties, en de veranderingen in de aard van de missies van het vliegtuig (met scheepsemissiemonitoring die recent een prominentere plaats innam) is het nog te voorbarig om hier al conclusies uit te trekken. De stijging die tot 2022 waarneembaar was werd niettemin ook door andere Noordzeelanden opgemerkt. Dat het wellicht vaak om toegestane lozingen gaat neemt niet weg dat ze, in variërende graad van ernst, een negatieve impact kunnen hebben op het mariene milieu. Het is belangrijk dat kuststaten deze lozingen blijven monitoren. Zo worden potentiële problemen op zee in kaart gebracht en wordt een basis gevormd om internationale lozingsstandaarden waar nodig aan te laten passen.

Aantal geobserveerde operationele verontreinigingen van andere schadelijke stoffen per vlieguur in het Belgische deel van de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Er werden in 2025 geen inbreuken vastgesteld op Bijlage V van het MARPOL Verdrag, dat betrekking heeft op het storten van vuilnis en vaste bulkstoffen in zee.

Wel werd een brand aan boord van het schip Grande Basile waargenomen, in Britse wateren net voorbij de grens met de Belgische wateren. Daarnaast vond in het Belgische ankergebied een aanvaring plaats tussen de schepen Fuji Lava en Bow Explorer. Gelukkig leidden beide incidenten niet tot accidentele zeeverontreiniging.

Brand aan boord van het schip Grande Basile. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Olieverontreiniging in Belgische havens

In 2025 werden twee olieverontreinigingen waargenomen in de haven van Antwerpen. Zo detecteerde het Kustwachtvliegtuig op 10 maart een verweerde olievlek aan de oostelijke zijde van het Zuidelijke insteekdok, zonder vervuiler in de buurt. Op 29 juli werden verschillende olie-vlekken waargenomen in het 4e havendok. Deze detecties werden voor opvolging gerapporteerd aan de havenautoriteiten.

Olievervuiling in het 4e havendok op 29 juli 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Zwavel- en stikstofuitstoot

Ons land staat bekend als een internationale trekker in de strijd tegen luchtvervuiling door schepen op zee (MARPOL-bijlage VI) door het toepassen van een sniffer-sensor aan boord van het Kustwachtvliegtuig. Deze sensor meet diverse luchtpolluenten in de rookpluimen van schepen.

Zwavelmetingen staan al sinds 2015 op het programma. Ze hebben als doel de strenge zwavellimieten voor scheepsbrandstof in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA) te monitoren. Uit de resultaten van de in 2025 uitgevoerde zwavelmetingen blijkt dat 23 van de 731 geïnspecteerde schepen een verdacht hoge zwavelwaarde vertoonden. Deze verdachte schepen werden gerapporteerd aan de bevoegde Belgische en Europese maritieme inspectiediensten, die instaan voor de verdere opvolging en controles aan wal. Het aandeel schepen met een verdachte zwavelwaarde daalde sterk sinds 2015 en stabiliseert de laatste jaren rond 3%.

Jaarlijks aandeel (%) schepen met een verdachte zwavelwaarde (SO₂) in de rookpluim, gemeten door het Kustwachtvliegtuig tijdens monitoring in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA), 2015–2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Sinds de toevoeging van een NOx-sensor in 2020 meet het vliegtuig ook de concentratie aan stikstofverbindingen (NOx) in de rookpluimen van schepen. Hiervoor gelden sinds 1 januari 2021 eveneens strengere beperkingen in de Noordzee-ECA. In 2025 leidde dit tot metingen van verdachte waarden bij 59 van de 731 gemonitorde schepen, die eveneens systematisch werden gerapporteerd aan de bevoegde maritieme administraties. Het aandeel schepen met een verdachte NOx-waarde steeg geleidelijk sinds 2020, wat de noodzaak van een verdere opvolging van de naleving van de ECA-emissienormen benadrukt.

Jaarlijks aandeel (%) schepen met een verdachte stikstofwaarde (NOx) in de rookpluim, gemeten door het Kustwachtvliegtuig tijdens monitoring in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA), 2020–2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Uitstoot van zwarte koolstof

In 2021 werd een “black carbon”-sensor toegevoegd aan de snifferopstelling van het Kustwachtvliegtuig. Hiermee wordt de uitstoot van zwarte koolstof, een belangrijke fractie van fijn stof en roet, in scheepsemissies gemeten. Tussen 2021 en 2024 werd de individuele uitstoot van zwarte koolstof door 886 schepen gedocumenteerd. Deze metingen, uitgevoerd onder reële operationele omstandigheden op zee, tonen aan dat schepen in de zuidelijke Noordzee en het Kanaal aanzienlijk meer zwarte koolstof uitstoten dan tot dusver internationaal werd aangenomen.

De resultaten werden gepubliceerd in een wetenschappelijk artikel in het tijdschrift Atmosphere, en bevestigen dat luchtobservaties een doeltreffend instrument zijn om de werkelijke uitstoot van de scheepvaart in kaart te brengen.

De gegevens illustreerden ook een duidelijke afname van de uitstoot van zwarte koolstof bij het gebruik van ECA-conforme, laagzwavelige brandstoffen, en het belang van motorbelasting als bepalende factor voor de uitstoot van zwarte koolstof. Bovendien tonen de resultaten aan dat schepen met een “exhaust gas cleaning system”, ook wel scrubber genoemd, meer zwarte koolstof uitstoten dan schepen die varen op ECA-conforme brandstoffen. Met deze wetenschappelijke onderbouwing levert België een belangrijke bijdrage aan internationale beleidsdiscussies binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en benadrukt het zijn voortrekkersrol in de transitie naar een duurzamere scheepvaart.

Ruimer maritiem toezicht

In het kader van de Kustwachtsamenwerking draagt het vliegtuig tijdens elke vlucht ook bij aan de ruimere maritieme handhaving en veiligheid op zee.

In 2025 rapporteerden luchtoperatoren van de BMM in deze context zes vissersschepen zonder werkend automatisch identificatiesysteem voor schepen (AIS) aan de Kustwachtcentrale.  Daarnaast werden 27 inbreuken op de navigatieregels waargenomen in en nabij de Belgische wateren, zoals vervat in het COLREG Verdrag (Convention on the International Regulations for Preventing Collisions at Sea). Dit is meer dan in voorgaande jaren, waarbij het vooral gaat om schepen die tegen de vastgelegde richting varen (spookvaren) of voor anker gaan in een actieve vaarroute. Deze waarnemingen werden systematisch voor opvolging gemeld aan het Directoraat-generaal Scheepvaart (FOD Mobiliteit en Vervoer).

Bij controles op intrusies binnen de veiligheidsperimeter van bepaalde zones (zoals windparken of aquacultuurzones) werden in 2025 anderzijds geen overtredingen waargenomen.

Monitoring van zeezoogdieren 

In maart en juni 2025 voerde het Instituut voor Natuurwetenschappen monitoringsvluchten voor zeezoogdieren uit. Er werden respectievelijk 95 en 40 bruinvissen waargenomen. Op basis hiervan werden via een wetenschappelijk onderbouwde extrapolatie realistische schattingen van de totale aantallen in de Belgische wateren berekend, waarbij het respectievelijk om meer dan 4000 en net geen 2000 bruinvissen ging. Verder werden tijdens de twee vluchten ook respectievelijk 11 en 13 zeehonden gezien. In maart kon in de buurt van de oostelijke windparkzone ook een tuimelaar worden gedocumenteerd, de dolfijnensoort die het vaakst in de Belgische wateren opduikt.

De zeezoogdierentellingen kaderen in de uitvoering van grootschalige constructiewerken in onze wateren, en in internationale verplichtingen om zeezoogdieren te beschermen. De verzamelde gegevens worden gebruikt om activiteiten af te stemmen en passende maatregelen te nemen om negatieve impact van menselijke activiteiten zoveel mogelijk te minimaliseren.

Bruinvissen tijdens een zeezoogdierentelling vanuit het Kustwachtvliegtuig. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Internationale missies

In augustus 2025 voerde het Kustwachtvliegtuig de jaarlijkse internationale Tour d’Horizon-missie uit in het kader van het Akkoord van Bonn. Hierbij wordt zeeverontreiniging afkomstig van boorplatformen opgespoord in het centrale deel van de Noordzee, in Nederlandse, Deense, Britse en Noorse offshore wateren. Het vliegtuig detecteerde in totaal 11 olievervuilingen en 2 vervuilingen van andere schadelijke vloeistoffen (noxious liquid substances, of NLS), een relatief laag aantal in vergelijking met de voorgaande jaren. Alle 11 olievervuilingen konden rechtstreeks worden gelinkt aan een olieplatform. Eén van de NLS-lozingen kon aan een schip worden gelinkt, terwijl de oorzaak van de tweede vervuiling onbekend bleef. Alle waarnemingen werden systematisch gerapporteerd aan de bevoegde Kuststaat voor verdere opvolging overeenkomstig de internationale procedures.

In september 2025 werd een vijfdaagse internationale campagne uitgevoerd aan de ECA-grens ter hoogte van de westelijke toegang tot het Engels Kanaal nabij Brest (Bretagne, Frankrijk). Hierbij werd de uitstoot gecontroleerd van 167 schepen. Vier schepen waren niet in overeenstemming met de zwavelregelgeving en 12 schepen hadden een te hoge NOx-uitstoot. Het aantal zwavelovertredingen is laag in vergelijking met de voorgaande jaren, wat vermoedelijk te wijten is aan de grote hoeveelheid regen en hoge vochtigheid gedurende deze campagne (waarbij zwavel met water tot zwavelzuur reageert, dat niet meer gemeten kan worden). Alle waarnemingen werden gerapporteerde aan de bevoegde instanties in Frankrijk en de Europese aanloophavens. De metingen werden eveneens opgenomen in Thetis-EU, de Europese inspectiedatabank.

Olieverontreiniging aan een boorplatform waargenomen door het Kustwachtvliegtuig. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)