Veelbelovende eerste resultaten voor het herstel van Belgische oesterriffen

Onderzoekers van het Instituut voor Natuurwetenschappen bevestigen de overleving en groei van de jonge Europese platte oesters die in juli 2025 werden uitgezet in het kader van het BELREEFS-project. De opvolging is mogelijk door een slim monitoringprogramma dat toelaat de ontwikkeling van het rif nauwgezet en op lange termijn in kaart te brengen. De eerste resultaten duiden op een veelbelovende start voor het herstel van de platte oesterriffen op zee in België.

Kleisteen bovengehaald in september 2025, met overlevende en gegroeide jonge oesters (Ostrea edulis) en gewone porseleinkrabbetjes (Pisidia longicornis). (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

In juli 2025 werden meer dan 200.000 jonge platte oesters (Ostrea edulis) uitgezet op de bodem van het Belgische deel van de Noordzee, ongeveer 30 km uit de kust op een diepte van 30 m. De oesters werden uitgezaaid op biologisch afbreekbare kleistenen, die werden geïnstalleerd op een zorgvuldig geselecteerde locatie met natuurlijk hard substraat (grind) binnen het Natura 2000-gebied ‘Vlaamse Banken’. De Europese platte oester is een zogenaamde ecosysteem-ingenieur: ze vormt riffen die leefgebieden creëren voor talloze andere soorten en als filtervoeder draagt ​​ze bij aan het helder houden van het water. Door overbevissing en vernietiging van hun leefgebied was deze belangrijke inheemse soort echter vrijwel volledig uit ons land verdwenen.

De grootschalige uitzetting maakte deel uit van BELREEFS, het eerste offshore pilootproject gericht op het herstel van Europese platte oesterriffen in Belgische zeewateren. Het BELREEFS-project, in opdracht van de Belgische Staat (dienst Marien Milieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), bundelt de expertise van Jan De Nul Group, het Instituut voor Natuurwetenschappen (team Mariene Ecologie en Beheer – MARECO), Shells & Valves en Mantis Consulting. De technieken die in het project worden getest zullen toekomstig grootschalig natuurherstel ondersteunen en bijdragen aan de bredere visie van België op het behalen van natuurhersteldoelstellingen, met name binnen Natura 2000-gebieden.

Slimme monitoring

Het BELREEFS-monitoringteam van het Instituut voor Natuurwetenschappen heeft een grondig plan ontwikkeld om de ontwikkeling van het rif te monitoren. Hierin worden de belangrijkste parameters, zoals opgesteld door de Native Oyster Restoration Alliance (NORA), nauwlettend gevolgd en worden tegelijkertijd de protocollen aangepast aan de uitdagende omstandigheden op zee. Deze aanpak stelt BELREEFS in staat om gegevens te genereren die vergelijkbaar zijn tussen Europese herstelinitiatieven. Voor verschillende van deze meetgegevens moeten oesters en het rifsubstraat worden opgevist voor analyse, wat een monitoringaanpak op maat vereist.

Om aan deze monitoringvereisten te voldoen, ontwierp Jan De Nul op maat gemaakte monitoringkooien die langdurige opvolging op een betrouwbare en gestandaardiseerde manier mogelijk maken. Elke kooi bevat een selectie van de ingezaaide kleistenen met daartussen voldoende ruimte voor blootstelling aan de omgeving. De kooien kunnen routinematig worden ingezet en teruggehaald, ofwel dankzij de integratie van een akoestisch releasesysteem, ondersteund door de betrokkenheid van het Instituut voor Natuurwetenschappen binnen het European Marine Biological Resource Centre Belgium (EMBRC Belgium), ofwel door wetenschappelijke duikers.

De eerste BELREEFS-monitoringkooi werd met het schip STREAM bovengehaald in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

Eerste resultaten

Met de hulp van de ​​bemanning van de STREAM werd de eerste monitoringkooi in september 2025 succesvol naar de oppervlakte gebracht, gebruik makend van het akoestische releasesysteem. Ter plaatse bepaalden de onderzoekers de overleving, groei en dichtheid van de oesters en zochten ze met succes naar de vestiging van nieuw oesterzaad. Verder werden zowel de vastzittende als de mobiele aangroeifauna op de kleistenen geïdentificeerd, waarbij ook kleinere en moeilijk herkenbare soorten werden verzameld voor identificatie in het labo.

Alle stalen zijn intussen verwerkt. Naast de bevestiging van de overleving en groei van oesters, onthulden de observaties ook het optreden van actieve ecologische interacties op het rifsubstraat. Er werden tekenen van ruimteconcurrentie en de aanwezigheid van potentiële predatoren opgemerkt, en deze dynamiek zal in de komende jaren verder worden onderzocht tijdens de vervolgmonitoring.

“De eerste monitoring leverde veelbelovende resultaten op. We kijken uit naar het vervolg, en hopen dat de kleine oesters zullen uitgroeien tot een heus oesterrif, precies op de plaats waar grote oesterriffen meer dan 100 jaar geleden voorkwamen. Dat we ook kolonisatie door wild oesterbroed aantroffen maakt ons extra enthousiast. Het is een zeer bemoedigend signaal voor het toekomstig herstel van oesterriffen.” – Thomas Kerkhove – MARECO, Instituut voor Natuurwetenschappen

Het BELREEFS-monitoringprogramma zal de komende jaren worden voortgezet met het bovenhalen van twee extra monitoringkooien. Deze observaties op een langere termijn zullen aanvullend inzicht opleveren over de ontwikkeling van het rif, ecologische interacties en het succes van natuurherstel in dynamische, offshore omstandigheden. Dergelijke informatie zal cruciaal zijn voor toekomstige grootschaligere herstelplannen in het Belgische deel van de Noordzee en zal verder bijdragen aan de kennis die de afgelopen decennia reeds is verzameld over het herstel van Europese platte oesters in heel Europa.

Ophalen van de eerste BELREEFS-monitoringkooi met het schip STREAM in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

 

BELREEFS is een samenwerking tussen Jan De Nul, Instituut voor Natuurwetenschappen, Shells & Valves en Mantis Consulting en wordt uitgevoerd in opdracht van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu als onderdeel van actie T4.8 van het LIFE B4B-project (101069526). 

De oesters werden gekweekt in samenwerking met het Nederlandse Stichting Zeeschelp en Oyster Heaven (Mother Reef). Voor al onze projecten werken we samen met internationale experten van de Native Oyster Restoration Alliance (NORA) en volgen we hun richtlijnen. Zo gaan we aan de slag met de best beschikbare kennis, geavanceerde technologieën en toonaangevende ervaring.

Zwarte-koolstofuitstoot door schepen in kaart gebracht

De uitstoot van zwarte koolstof door schepen in de zuidelijke Noordzee werd in kaart gebracht met de sniffersensor van het Belgische kustwachtvliegtuig. De voorlopige resultaten laten zien dat deze uitstoot hoger is dan eerder werd aangenomen en bieden wetenschappelijke onderbouwing voor de ontwikkeling van internationale regelgeving en duurzaam scheepvaartbeleid.

Het kustwachtvliegtuig tijdens een sniffermissie boven het Belgische deel van de Noordzee © NL Coast Guard

Het Belgische kustwachtvliegtuig is sinds 2015 uitgerust met een sniffersensor waarmee het de concentratie van verontreinigende stoffen in de uitstoot van schepen op zee kan meten. Aanvankelijk werd het systeem in het vliegtuig geïntegreerd om de uitstoot van zwaveloxiden (SOx) op te volgen en te onderzoeken, maar door de jaren heen werd het uitgebreid met de capaciteit om andere verontreinigende stoffen te detecteren. Zo worden sinds 2020 ook stikstofoxiden (NOx) gemeten en kwam in 2021 ook zwarte koolstof op de radar van het luchttoezicht te staan.

In juni 2025 publiceerde het luchttoezichtteam (SURV) een wetenschappelijk artikel in Atmosphere waarin de uitstoot van zwarte koolstof door scheepsverkeer in de zuidelijke Noordzee en het Engels Kanaal werd beschreven op basis van 886 metingen uit de periode 2021-2024. Het gaat om het eerste wetenschappelijke onderzoek van deze omvang waarin werkelijke metingen van zwarte koolstof door schepen worden samengebracht en geanalyseerd. De metingen werden gerealiseerd in de maritieme gebieden van België, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Wat is ‘zwarte koolstof’?

Zwarte koolstof, veelal aangeduid onder de Engelste term ‘black carbon’ en in het Nederlands ook vaak ‘roet’ genoemd, is een categorie van koolstofhoudende fijne deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer (1 micrometer of 1 µm is gelijk aan een duizendste van een millimeter). Het is voornamelijk afkomstig van de onvolledige verbranding van koolstofhoudende brandstoffen zoals fossiele brandstoffen (zoals diesel en steenkool) maar ook biomassa (hout) en biobrandstoffen.

Als fijn deeltje heeft zwarte koolstof een impact op de gezondheid van de bevolking die eraan wordt blootgesteld. Hoewel de juiste klimaatimpact van zwarte koolstof nog onderwerp van debat blijft en het niet als broeikasgas is geklasseerd, staat vast dat het wel aanzienlijk bijdraagt aan de klimaatverandering. Dat komt onder meer door zijn vermogen om zonnestraling te absorberen wanneer het op poolijs neerslaat en het zo donkerder maakt.

Ruimtelijke verdeling van de metingen van black carbon-emissies, met kleurcodering van de gemeten niveaus (in g black carbon/kWh)

Interpretatie van de resultaten

Het langlopende onderzoek leidde tot een aantal conclusies die in de toekomst met aanvullende gegevens zullen worden verfijnd. De belangrijkste conclusie is dat luchtmetingen van de uitstoot van zwarte koolstof door schepen op zee effectief mogelijk zijn, en dat dankzij het bijhorende observatieprotocol waardevolle informatie over de werkelijke  omvang van deze uitstoot wordt verkregen. Tot op heden werd zo’n informatie afgeleid uit metingen die onder gecontroleerde en gesimuleerde omstandigheden gebeurden en niet op zee, onder reële omstandigheden.

Uit de gegevens kan ook worden afgeleid dat de uitstoot van zwarte koolstof door schepen mogelijk is onderschat.Ook blijkt dat ECA-conforme brandstoffen (brandstoffen met een laag zwavelgehalte die zijn toegestaan in de “emissiecontrolezone” waartoe de Noordzee behoort) bijdragen aan een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van zwarte koolstof. Bijkomend blijkt ook dat de motorbelasting een bepalende factor is voor de uitstoot van zwarte koolstof.

Wetenschap voor toenemende duurzaamheid

De uitstoot van zwarte koolstof door de scheepvaart is nog niet gereguleerd, hoewel er sinds 2011 discussies aan de gang zijn om de beste manieren te vinden om deze uitstoot en de impact ervan te beperken. Deze discussies vinden onder meer plaats binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), een gespecialiseerd agentschap van de Verenigde Naties dat verantwoordelijk is voor het opstellen van internationale regels met betrekking tot de veiligheid en beveiliging van het maritieme vervoer, maar ook in verband met het voorkomen van mariene en atmosferische verontreiniging door schepen.

Als basis voor dergelijke besprekingen heeft de IMO natuurlijk stevig onderbouwde wetenschappelijke gegevens nodig, en het is hier dat de nieuwe Belgische inzichten een mooie rol kunnen vervullen. België, dat in de IMO vertegenwoordigd wordt door het Directoraat-Generaal Scheepvaart (Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer), heeft het onderzoek van het Instituut voor Natuurwetenschappen hier op 21 november 2025 onder de aandacht gebracht van de internationale maritieme gemeenschap. Op deze manier wil België het bewustzijn rond de problematiek van zwarte koolstof vergroten, en concrete elementen aanleveren om de ontwikkeling van een doeltreffende regelgeving rond de uitstoot van zwarte koolstof door de scheepvaart te ondersteunen.

België werd bovendien op 26 november 2025 in Londen verkozen tot lid van de IMO-Raad, mede dankzij de voortdurende inspanningen van DG Scheepvaart. De verkiezing, het formaliseren en overhandigen van de Belgische wetenschappelijke inzichten aan de IMO toont aan hoe belangrijk ons land internationale wetenschappelijke en politieke samenwerking vindt, en hoezeer het de transitie naar een duurzame en minder belastende scheepvaartsector ondersteunt.

Het kustwachtvliegtuig is eigendom van het Instituut voor Natuurwetenschappen en wordt gevlogen door piloten van Defensie. De wetenschappelijke dienst Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) van het Instituut voor Natuurwetenschappen is verantwoordelijk voor de uitvoering van het nationale programma voor luchttoezicht boven de Noordzee, en levert de wetenschappelijke operatoren van het vliegtuig.

Online geluidsarchief centraliseert Belgische vleermuisgeluiden

Onderzoekers en natuurliefhebbers kunnen voortaan bijna twee miljoen Belgische vleermuisopnames beluisteren via het Digital Animal Sound Archive. Het platform biedt centrale toegang tot dit uitgebreide geluidsmateriaal, ondersteunt wetenschappelijk onderzoek en stimuleert het gebruik ervan bij analyses van milieueffecten en beleidsontwikkeling.

Laatvlieger (Cnephaeus serotinus) © Instituut voor Natuurwetenschappen/MARECO (Yves Laurent)

Net zoals veel andere diersoorten (waaronder walvissen, insecten, vogels,…) produceren vleermuizen geluid, onder meer om prooien te lokaliseren of zich te oriënteren. Het gaat daarbij om hoogfrequente ultrasone geluiden die voor de mens vaak niet of moeilijk hoorbaar zijn, maar die wel kunnen worden geregistreerd. Dergelijke opnames hebben een groot potentieel belang voor onderzoek naar de verspreiding en het gedrag van de verschillende soorten, en voor het inschatten van de impact van menselijke activiteiten. Dit zowel ter land als ter zee, want ook op zee worden vleermuizen waargenomen.

Tot nu toe werden de beschikbare Belgische geluidsbestanden van vleermuizen enkel bewaard in de moeilijk bereikbare archieven van individuele personen of organisaties. Daar liepen ze het risico op korte termijn te verdwijnen, bijvoorbeeld omdat ze na de analyse ervan verwijderd worden. Het Digital Animal Sound Archive (DASA) brengt de opnames nu samen in één gestandaardiseerd, veilig en doorzoekbaar systeem.

Een bat detector (vleermuisdetector) registreert geluiden van vleermuizen in een Belgisch offshore windpark © Instituut voor Natuurwetenschappen/MARECO

Ook dankzij en voor burgerwetenschappers

DASA is meer dan een passief geluidsarchief van professionele wetenschappers. Na de aanmaak van een account kan iedere geïnteresseerde, zowel professionelen als vrijwilligers, er geluidsopnames downloaden en beluisteren. Bovendien kan elke aangeslotene ook opnames in DASA opladen. Zo kunnen burgerwetenschappers hun eigen opnames veiligstellen voor de toekomst, en zo de collectie aanvullen en de mogelijkheden ervan voor wetenschappelijke en beleidsondersteunende toepassingen vergroten. Tot op heden werd 24% van de waarnemingen door burgerwetenschappers verzameld, een aandeel dat in de toekomst ongetwijfeld nog zal stijgen.

Verder kan iedereen ook bijdragen aan het toewijzen van de opnames aan één of meerdere vermoedelijke soorten, of een alternatieve soortoptie toekennen aan een bestaande identificatie. Herkennen op welke soort een opname betrekking heeft is in het geval van vleermuizen immers niet altijd eenvoudig, en vereist een doorgedreven kennis van de materie. Er worden dan ook gericht vleermuisspecialisten ingeschakeld om waarnemingen te valideren, wat betekent dat ze met hoge zekerheid worden toegekend aan de juiste soort.

Een schat aan informatie

“DASA bundelt momenteel bijna twee miljoen vleermuisdetecties door professionele en burgerwetenschappers. Het is een unieke databank die de toepassingsmogelijkheden van waarnemingen en geluidsopnames voor het Belgisch natuuronderzoek toekomstbestendig maakt,” zegt projectcoördinator Robin Brabant van het Instituut voor Natuurwetenschappen.

Ongeveer de helft van deze vleermuiswaarnemingen is gekoppeld aan geluidsbestanden. Ook de overige waarnemingen zijn echter zeer waardevol omdat de verspreiding en trends van de verschillende soorten eruit kunnen worden afgeleid.

Sonogram van de benaderings- en vangstfase van prooien door de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) © Instituut voor Natuurwetenschappen

Bob Vandendriessche, voorzitter van de Vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt, staat verder stil bij de meerwaarde van een toegewijd platform als DASA: “Bestaande platforms zoals waarnemingen.be zijn niet opgezet om dergelijke massieve datasets te ontvangen en ontsluiten. Het aantal personen dat op grote schaal akoestische data verzamelt mag dan wel eerder klein zijn, het datavolume is al snel erg groot. Ook de omvang en het belang van de begeleidende metadata is veel groter dan bij andere biologische data, zodat een afzonderlijk platform wenselijk was”.

DASA is het eerste Belgische platform dat bio-akoestische gegevens volgens internationale standaarden structureert en koppelt aan internationale biodiversiteitsplatformen zoals het Global Biodiversity Information Facility (GBIF). De infrastructuur kan bovendien opgeschaald worden. Naast geluidsopnames van vleermuizen zullen later ook opnames van andere diergroepen, zoals zeezoogdieren of insecten, kunnen worden toegevoegd. De focus blijft evenwel liggen op Belgische gegevens.

 

Het Digital Animal Sound Archive (DASA) project is een samenwerking tussen het Instituut voor Natuurwetenschappen, Natuurpunt en Natagora. Het platform werd ontwikkeld met financiering van het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO).

Alle gegevens voldoen aan de FAIR-principes (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable) en de Europese Open Data-richtlijn, waardoor ze wereldwijd bruikbaar zijn voor wetenschap, beleid en educatie.

10 jaar EMBRC België: Motor voor innovatie in marien onderzoek

Op 9 december werd in het Instituut voor Natuurwetenschappen het tienjarig bestaan van het Belgische luik van het European Marine Biological Resource Centre in de kijker gezet. Het initiatief heeft de voorbije tien jaar de toegang tot hoogwaardige onderzoekinfrastructuur, expertise en internationale samenwerkingen aanzienlijk versterkt. De jubileumdag vormde het ideale moment om deze impact te vieren en om de koers voor de komende jaren scherp te stellen, met nadruk op samenwerking, duurzaamheid en wetenschappelijke vernieuwing.

Juni 2024: Oesterzaadcollectoren worden uitgezet in de Artificial Hard Substrate Garden, een mariene experimentele faciliteit die als dienst van EMBRC België aan de wetenschappelijke gemeenschap en de industrie ter beschikking wordt gesteld. (© Instituut voor Natuurwetenschappen)

De Belgische afdeling van het European Marine Biological Resource Centre (EMBRC-BE) blikte op dinsdag 9 december 2025 terug op tien jaar werking. EMBRC-BE maakt deel uit van het pan-Europese onderzoeksnetwerk EMBRC-ERIC (European Research Infrastructure Consortium), dat is gericht op het vergroten van onze kennis van de biodiversiteit en het functioneren van Europese kustzeeën. EMBRC-ERIC ondersteunt en stroomlijnt marien onderzoek in heel Europa door onderzoekers toegang te geven tot hoogwaardig uitgeruste laboratoria in mariene stations en onderzoeksinstellingen.

Het mariene milieu beslaat 71 % van de oppervlakte van onze planeet, en is van groot belang voor al het leven op aarde en een brede waaier aan menselijke activiteiten. Zeeën en oceanen produceren ongeveer de helft van alle zuurstof die we inademen. Ze slaan grote hoeveelheden CO2 op en bufferen zo de gevolgen van klimaatverandering. Tegelijk vormen ze een bron van voedsel, energie en werkgelegenheid voor miljoenen mensen wereldwijd.

‘‘Het mariene milieu wordt bovendien ook in toenemende mate gebruikt als locatie voor de productie van hernieuwbare energie of om aan aquacultuur te doen. Het is dan ook erg belangrijk om goed te begrijpen hoe het mariene ecosysteem werkt en hoe we duurzaam gebruik kunnen maken van mariene hulpbronnen”, verduidelijkt Jan Vanaverbeke van het Instituut voor Natuurwetenschappen en de Universiteit Gent, die was betrokken bij de opstart van EMBRC-BE.

Marien onderzoek blijft een uitdaging

Het mariene ecosysteem onderzoeken is echter geen eenvoudige opdracht. Toegang tot de zee is niet altijd vanzelfsprekend, en de gespecialiseerde instrumenten die nodig zijn, zijn vaak kostbaar en voor veel onderzoeksgroepen moeilijk beschikbaar. EMBRC België helpt deze drempels weg te nemen. Het consortium bundelt de krachten van Belgische mariene onderzoeksinstellingen en maakt hoogwaardige infrastructuur en expertise toegankelijk voor iedereen die onderzoek wil doen op of met mariene organismen.

“Op die manier wordt excellente wetenschap niet gehinderd door praktische beslommeringen, en wordt mogelijks baanbrekend onderzoek niet belemmerd door lokale beperkende omstandigheden” zegt Europees EMBRC directeur Nicolas Pade, die voor het tienjarig bestaan van de Belgische tak is afgezakt naar de viering in het Instituut voor Natuurwetenschappen.

© EMBRC-BE, UGent

EMBRC België zet koers uit voor de toekomst

Sinds 2025 staat Marleen De Troch (Universiteit Gent) als nieuwe directeur aan het roer van het Belgische knooppunt. De ambities voor de komende jaren zijn duidelijk: verder inzetten op samenwerking tussen onderzoeksgroepen, het ondersteunen van jonge onderzoekers, en het versterken van de brug tussen wetenschap, beleid en de blauwe economie.

Marleen De Troch: “Deze financiering maakt een wezenlijk verschil. We ondersteunen belangrijke Belgische innovatiedomeinen in de blauwe economie, ecologie en natuurbehoud, zoals de ontwikkeling van drijvende zonnepanelen, duurzame aquacultuur en herstel van oesterriffen. De wetenschappelijke dienstverlening van EMBRC-BE leidde in de voorbije tien jaren ook tot meer dan 300 wetenschappelijke publicaties.”

De steeds uitbreidende expertise en het daaruit volgende internationale aanzien van de Belgische mariene wetenschappelijke gemeenschap leidde er ook toe dat Belgische onderzoekers konden deelnemen aan 40 Europese onderzoeksprojecten. Op die manier stroomt heel wat financiering terug naar onze onderzoeksinstellingen.

“Ons doel blijft hetzelfde: drempels verlagen, samenwerking stimuleren en marien onderzoek in België versterken. We willen de volgende tien jaar bovendien nog meer inzetten op innovatie, kennisdeling en duurzaamheid,” besluit De Troch.

EMBRC-België is een samenwerking tussen verschillende onderzoeksgroepen van UGent, het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ), UHasselt, KULeuven en het Instituut voor Natuurwetenschappen en wordt gefinancierd via Vlaamse en federale onderzoekfondsen. Binnen deze EMBRC-samenwerking versterkt het Instituut voor Natuurwetenschappen het consortium met zijn monitoringactiviteiten en gespecialiseerd onderzoek rond artificiële riffen.

EMB Future Science Brief over monitoring, rapportage en verificatie van het verwijderen van koolstofdioxide uit de zee

Een groep internationaal gerenommeerde mariene wetenschappers onder de European Marine Board heeft de Future Science Brief gepubliceerd over ‘Monitoring, Reporting and Verification for marine Carbon Dioxide Removal’. Het rapport is duidelijk: snelle vermindering van de CO-uitstoot heeft absolute topprioriteit. Carbon Dioxide Removal is geen vervanging voor reductie van emissies; (mariene) CDR kan enkel worden beschouwd als een mogelijke aanvullende maatregel om de realisatie van netto-nuluitstoot te ondersteunen. Het rapport verduidelijkt de huidige wetenschappelijke, technische en regelgevende uitdagingen die moeten worden aangepakt om geschikte en betrouwbare MRV te ontwikkelen voor eventuele toekomstige mCDR-activiteiten, ter bescherming van de gezondheid van de oceaan en iedereen die ervan afhankelijk is. Volgens het State of Carbon Dioxide Removal-rapport dragen mariene CDR-methodes momenteel minder dan 0,1% bij aan de wereldwijde CO-verwijderingsinspanningen, maar dit onderzoeksveld groeit razendsnel. De potentiële effecten op het mariene milieu zijn nog niet duidelijk, maar kunnen aanzienlijk zijn.

Schematisch overzicht van methoden voor verwijdering van koolstofdioxide uit zee (mCDR) die zijn opgenomen in deze Future Science Brief. (© Rita Erven, GEOMAR, CC BY 4.0)

Methoden voor Carbon Dioxide Removal (CDR), inclusief die gericht op mariene omgevingen, worden momenteel onderzocht en getest in pilootprojecten. Ze worden gezien als een manier om resterende emissies aan te pakken en historisch koolstofoverschot uit de atmosfeer te verwijderen zodra de uitstoot van broeikasgassen is teruggedrongen, en om zo de klimaatdoelstellingen van het Akkoord van Parijs te behalen.

Monitoring, reporting and verification (MRV) is een gestructureerd proces om gegevens over mCDR-activiteiten te verzamelen, openbaar te maken en onafhankelijk te verifiëren. Dit proces omvat het kwantificeren van CO₂-verwijdering, duurzaamheid, onzekerheden en milieu-impacten. Vooruitkijkend zijn wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen nodig om robuuste, transparante en wetenschappelijke MRV-kaders voor mCDR te ontwikkelen.

De internationale werkgroep van dertien onderzoekers heeft haar bevindingen en duidelijke aanbevelingen gepresenteerd over Monitoring, Verification and Reporting voor mCDR-activiteiten. Onder leiding van dr. Helene Muri, Senior Researcher bij NILU en de Noorse Universiteit voor Wetenschap en Technologie (NTNU), Noorwegen, en dr. Olivier Sulpis van CEREGE – Aix-Marseille University, CNRS, IRD, Frankrijk, stelde het team het rapport op, dat op 17 november 2025 door de EMB werd gelanceerd tijdens een webinar.

Het document benadrukt onder andere de kennishiaten in onderzoek die grote uitdagingen vormen voor de praktische implementatie en efficiëntie van mCDR-methoden in de oceaan. Daarbij gaat het onder meer om onzekerheden over de processen en effecten, en over de duur waarin koolstof in de oceaan kan worden opgeslagen.

“Geen enkele mCDR-methode beschikt momenteel over een voldoende robuust en volledig MRV-systeem,” zegt Helene Muri. “Dit betekent dat een efficiënte en veilige toepassing van mCDR-methoden op dit moment niet kan worden gegarandeerd.”

Studie naar het effect van Ocean Alkalinity Enhancement op een planktongemeenschap in de Noordzee, Helgoland, Duitsland. (© Michael Sswat, GEOMAR)

De basis leggen voor verantwoordelijke ontwikkeling

De werkgroep benadrukt dat investeren in wetenschap en innovatie, zoals oceaanobservaties, modelleringsmethoden en infrastructuur, kan bijdragen aan de vooruitgang van het MRV-veld. “Als we het gebruik van mCDR zouden willen overwegen, moeten we nu investeren in kennisontwikkeling voor MRV,” zegt Helene Muri. “Dat maakt de ontwikkeling van doelgerichte MRV-kaders mogelijk zodra of wanneer we grootschalige mCDR-toepassing bereiken.”

De onderzoekers pleiten ook voor de ontwikkeling van robuust bestuur ter ondersteuning van MRV voor mCDR. Helene Muri: “We hebben momenteel geen specifieke bestuurskaders voor MRV van mCDR.” Er is behoefte aan een omvattend regelgevend kader voor MRV dat de fragmentatie, inconsistenties en het gebrek aan mondiaal bestuur van bestaande MRV-systemen kan overwinnen.

Ontdek hier meer over de Future Science Brief.

 

De Belgische federale staat wordt in de EMB vertegenwoordigd door het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO) en in het EMB Communication Panel door het Instituut voor Natuurwetenschappen.

Publieke consultatie Nearshore Access Channels – Elia Asset NV

Elia Asset NV heeft een aanvraag ingediend tot wijziging van het ministerieel besluit van 26 september 2023 houdende verlening aan Elia Asset NV van een machtiging voor de aanleg, een vergunning voor de exploitatie en een Natura 2000-toelating voor het Modular Offshore Grid 2 in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.

De bouw van het energie-eiland is gestart op 1 april 2024 op basis van de op 26 september 2023 verleende milieuvergunning en Natura 2000-toelating. Elia Asset NV plant een alternatieve aanlandingsmethodiek voor de exportkabels toe te passen met toegangskanalen en draaikommen in de kustzone nabij Blankenberge/Zeebrugge. Deze techniek is niet opgenomen in de hierboven vermelde milieuvergunning en Natura 2000-toelating en is bijgevolg onderworpen aan een bijkomende milieueffectbeoordelings-procedure.

De minister bevoegd voor Noordzee beslist over een wijziging van de oorspronkelijke milieuvergunning en Natura 2000-toelating.

De aanvraag, die tevens het door de aanvrager opgemaakte aanvullend milieueffectbeoordelingsrapport, ontwerp van passende oordeling en een niet-technische samenvatting bevat, kan geraadpleegd worden in de kantoren van de BMM (Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee) te Brussel (Instituut voor Natuurwetenschappen, Vautierstraat 29, 1000 Brussel; mdevolder@naturalsciences.be; tel. 02 627 43 52) of te Oostende (3de en 23ste Linieregimentsplein, 8400 Oostende; jhaelters@naturalsciences.be; tel. 02 788 77 22), dit enkel op afspraak en tijdens de kantooruren tussen 9:00h en 17:00h. Het dossier werd ook overgemaakt aan de kustgemeenten.

De documenten kunnen eveneens elektronisch worden geraadpleegd:

Aanvraag

Milieueffectbeoordelingsrapport (+ ontwerp van passende beoordeling en bijlagen, inclusief niet-technische samenvatting)

Iedere belanghebbende kan tot en met 26 december 2025 standpunten, opmerkingen en bezwaren overmaken aan de BMM, per brief of per email.

BMM
Vautierstraat 29, 
1000 Brussel

bmm@naturalsciences.be

North Atlantic Coast Guard Forum 2025: Systemen, kunnen we erop vertrouwen?

De 2025-editie van de North Atlantic Coast Guard Forum (NACGF) Summit vond plaats van 13 tot 16 oktober in Kopenhagen, Denemarken.

© Tobias Terman/NACGF

Juridische aspecten

Als eerste agendapunt werden de tools of systemen waarover we beschikken vanuit juridische hoek benaderd.

Hierbij werd onder meer gereflecteerd over de zogeheden shadow fleet, een netwerk van schepen of vaartuigen die verhullende tactieken gebruiken om sancties te vermijden, veiligheids- of milieuregelgeving te omzeilen, verzekeringskosten te ontduiken of andere illegale activiteiten te ontplooien.

Professor Kristina Siig (Professor of Martime Law and Law of the Sea, University of Southern Denmark) benadrukte het belang van het principe van “onschuldige doorvaart”. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS) bepaalt immers dat onschuldige doorvaart van schepen door territoriale wateren mogelijk moet zijn zolang deze geen bedreiging vormen voor de vrede, orde of veiligheid van de betreffende kuststaat.

Ook een aantal recente maritieme incidenten werden geanalyseerd. Welke wetgeving was van toepassing? En vooral: hoe kunnen we in de toekomst beter anticiperen en reageren?

Feedback van werkgroepen

Op meer operationeel-technisch vlak wordt op de Summit steeds een terugkoppeling voorzien door de voorzitters van de verschillende expertgroepen. Deze kwamen in mei 2025 samen in het Deense Aalborg, en rapporteerden nu over de belangrijkste bevindingen, nieuwe technieken en trends.

Er werd ook dieper ingegaan op de aanpak van recente incidenten zoals die met de de Solong en de Stena Immaculate en dat met de MSC Baltic III.

Piet Pieters (Adviseur-generaal Nationaal Crisiscentrum & Co-voorzitter van het beleidsorgaan Kustwacht) en Eefje Deweer (Secretariaat Kustwacht) op de NACGF Summit in Kopenhagen. © Secretariaat Kustwacht

Deense expertise

Denemarken beschikt over verschillende systemen die zij integreren om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de activiteiten boven hun wateren. Hun langetermijnvisie wordt onderbouwd door een systematische opleiding van alle medewerkers binnen de kustwacht, zodat zij vlot kunnen werken met de Europese datasystemen. Sinds de start van dit initiatief in 2017 zijn inmiddels meer dan 600 medewerkers opgeleid. Denemarken maakt onder andere gebruik van de RPAS-dienst (Remotely Piloted Aircraft System) van het European Maritime Safety Agency (EMSA) en heeft een eigen handboek opgesteld voor het operationeel gebruik ervan.

Het afgelopen jaar werden in Deense wateren ook enkele saildrones getest. Vier drones werden gelijktijdig ingezet en aangestuurd door slechts één operator aan wal. Ze bleken bijzonder goed bestand tegen de grillige weersomstandigheden en doorstonden zelfs een orkaan van categorie 5. Dit project, uitgevoerd door een private onderneming, is een mooi voorbeeld van een succesvolle samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, met als doel kennisopbouw en marktverkenning.

Deense saildrone. © Royal Danish Navy

Samenwerking en overdracht

Daarnaast werkten alle deelnemende lidstaten het afgelopen jaar samen aan een thematic paper rond het thema “Safety and Security in Windmill Parcs”. Ook België heeft hier ervaring in en werkte eraan mee.

Tot slot werd het voorzitterschap van de NACGF tijdens de afsluitende sessie officieel overgedragen aan IJsland.

Overdacht van het NACGF-voorzitterschap van Denemarken aan IJsland. © Secretariaat Kustwacht

De Wetenschappelijke Dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)” van het Instituut voor Natuurwetenschappen is partner in de Belgische Kustwachtsamenwerking, en volgt de ontwikkelingen besproken tijdens de NACGF Summit mee op de voet.

160 jaar Italiaanse Kustwacht gevierd met internationale conferenties

Ter gelegenheid van haar 160ste verjaardag organiseert de Italiaanse kustwacht dit jaar drie prestigieuze bijeenkomsten te Rome: de plenaire conferentie van het ECGFF (European Coast Guard Functions Forum), het MCGFF (Mediterranean Coast Guard Forum) en de GCGS (Global Coast Guard Summit).

©BEKustwacht

De voorzitters van het beleidsorgaan Kustwacht, Piet Pieters en Nathalie Balcaen, vertegenwoordigen de 17 kustwachtpartners, waaronder ook de wetenschappelijke dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) van het Instituut voor Natuurwetenschappen, en worden ondersteund door secretaris Eefje Deweer.

Ocean Pact

Een krachtige boodschap kwam van D.C. Charlina Vitcheva van de Europese Commissie (DG MARE): “Keeping our seas clean, safe and secure is our common objective, because the Ocean is a vital component of our planet.”

Ze verwees naar het ‘EU Ocean Pact’, voorgesteld door Ursula von der Leyen in juni 2025 in Nice. Dankzij haar inzet kreeg het pact een prominente plaats op de politieke agenda. Binnen dit pact wordt maritieme veiligheid beschouwd als het fundament voor de zes andere pijlers. Zonder veilige zeeën zijn duurzame economische ontwikkeling, milieubescherming en internationale samenwerking immers niet mogelijk.

Technologische vooruitgang en juridische uitdagingen

In de namiddag vond een rondetafelgesprek plaats met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en drie agentschappen. De discussie draaide rond toekomstige uitdagingen en de integratie van nieuwe technologieën zoals RPAS (drones), MASS (autonome schepen) en AI-gebaseerde tools, evenals de bijbehorende wetgeving.

Er werd benadrukt hoe kleine stappen tot grote vooruitgang leiden. Wat enkele jaren geleden nog ondenkbaar was, zoals het inzetten van drones bij regionale operaties, is vandaag al realiteit op meerdere locaties. Maar er is nog veel werk, in het nieuwere segment van onderwaterdrones is er nog veel marge voor verdere ontwikkeling.

België als voorbeeld

België werd meermaals positief aangehaald binnen het ECGFF, onder andere als voorbeeld in de Multipurpose Maritime Operation, het EU Exchange Program, de Greening Award (waar het Belgische programma voor luchttoezicht in 2024 nog werd bekroond met de ‘Special Commendation for Sustainable Impact’), en het Oliviaproject.

Internationale samenwerking in opleidingen voor kustwachtmedewerkers

De Belgische delegatie werd uitgenodigd om het Mediterranean Coast guard forum als waarnemer bij te wonen, wat een waardevolle inkijk bood in de internationale inspanningen met betrekking tot organisatie van opleidingen.

Een eerste onderdeel van het forum was de presentatie van opleidingsprogramma’s van gerenommeerde instellingen zoals de World Maritime University (WMU) in Zweden, het International Maritime Law Institute (IMLI) in Malta, de World Wide Academy van de International Organization for Marine Aids to Navigation (IALA), en de International Labour Organization (ILO). Deze instellingen bieden gespecialiseerde opleidingen aan die gericht zijn op maritieme veiligheid, wetgeving en navigatiehulpmiddelen.

In een tweede luik van het forum werd gefocust op internationale en Europese capaciteitsopbouwprogramma’s in niet Europese landen zoals Somalië, Libië, Egypte en Libanon. Deze programma’s zijn erop gericht om lokale kustwachtstructuren te versterken en duurzame samenwerking te bevorderen.

Tot slot werden ook meer technische opleidingen voorgesteld. Zo presenteerde de Italiaanse Kustwacht haar trainingsprogramma voor ‘rescue swimmers’ en  SASEMAR, opleidingscentrum in Spanje gaf toelichting bij de opleiding van VTS/VTMS-personeel.  EMSA stelde haar opleiding voor sulphur emission control area (SECA) -inspecteurs voor, aangezien de middellandse zee sinds 1 mei 2025 onderhevig is aan striktere regelgeving. Voorgemelde initiatieven streven naar uniforme standaarden en geharmoniseerde curricula, zodat gecertificeerde professionals efficiënt kunnen opereren binnen een internationale maritieme context.

Internationale samenwerking voor een gezonde en veilige oceaan

©BEKustwacht

Tijdens de Global Coastguard Summit kwamen maar liefst 110 delegaties van over de hele wereld samen om te spreken over de toekomst van onze oceanen. Onder het thema ‘Ocean Health and Safety: From Prevention to Response’ werd duidelijk dat decarbonisatie geen doel op zich is, maar een middel om onze ecologische voetafdruk te verkleinen. Het belang van het ratificeren van het HNS-verdrag werd benadrukt, vooral gezien die opkomst van nieuwe brandstoffen. Vertegenwoordigers uit de technologie- en verzekeringssector onderstreepten dat we gezamenlijke belangen hebben en dat samenwerking essentieel is. Een bijzonder moment was de toespraak van de Italiaanse premier, Meloni. Zij stelt dat er geen andere keuze is dan over te gaan tot onmiddellijke actie om de maritieme uitdagingen van vandaag en morgen aan te pakken.

Innovatie en bewustzijn in een complexe maritieme omgeving

De summit bood ook inzichten in Maritime Domain Awareness in een tijdperk van hybride dreigingen. Delegaties werden aangemoedigd om hun processen te blijven vernieuwen en aan te passen aan technologische vooruitgang. Canada presenteerde hun vloot met onder meer hybride vaartuigen, terwijl de VS liet zien hoe AI kan bijdragen aan snellere en effectievere zoek- en reddingsoperaties. Daarbij werd duidelijk dat technologische innovatie slechts één kant van de medaille is; culturele verandering binnen organisaties is minstens zo belangrijk. EFCA benadrukte het belang van samenwerking, efficiëntie en betrouwbare data, waarbij menselijke supervisie cruciaal blijft. Jordanië toonde hoe zij met drones en een nieuw operationeel centrum de Golf van Akaba bewaken en vissers registreren die geen radar of AIS gebruiken. Overal klonk dezelfde boodschap: kunstmatige intelligentie biedt enorme kansen, maar moet altijd in dienst staan van de missie – het redden van levens en het beschermen van onze maritieme domeinen.

Internationale samenwerking versterkt maritieme rechtshandhaving

Op de tweede dag van de Global Coastguard Summit stond de versterking van wetshandhavingscapaciteiten in het maritieme domein centraal. Bangladesh presenteerde een nationale en regionale AI-strategie om maritieme criminaliteit te bestrijden, waarbij technologie wordt ingezet voor veerkrachtige en toekomstgerichte oplossingen. Argentinië deelde haar aanpak voor veiligheid op zee, terwijl Kenia de nadruk legde op opleiding en operationele efficiëntie binnen haar kustwacht. Er werd ook stilgestaan bij d unieke uitdagingen van de Caribische regio en hoe deze een wereldwijde impact hebben. Uruguay koppelde maritieme rechtshandhaving aan klimaatverandering en oceaangezondheid, en benadrukte het belang van milieubescherming binnen hun kustwachtfuncties.

Best practices voor veiligheid op zee

De Turkse kustwacht toonde hoe onbemande luchtvaartuigen (UAV’s) worden ingezet voor rechtshandhaving, wat nieuwe kosten-efficiënte mogelijkheden biedt voor toezicht en interventie. Japan lichtte hun strategie toe die bestaat uit handhaving, coördinatie en internationale samenwerking. Denemarken gaf een overzicht van de thema’s die de laatste jaren behandeld werden tijdens het North Atlantic Forum. Tot slot presenteerde Australië de HACGAM (Heads of Asian Coast Guard agencies meeting) – strategie , door het opzetten van een gezamenlijke visie 2030. De sessies onderstreepten dat effectieve maritieme rechtshandhaving niet alleen draait om technologie, maar ook om gedeelde normen, opleiding en internationale solidariteit.

Dwergvinvis aangespoeld in Heist en terug in zee geloodst

Een dwergvinvis van zo’n 6 meter raakte op 31 augustus vast in de ondiepten van de Baai van Heist. Strandredders en hulpdiensten hielden het dier urenlang nat in een ondiep bassin, en via een snel gegraven kanaal kon de walvis bij opkomend tij terug naar zee worden begeleid. Hoewel het dier nog twee keer naar ondiep water terugkeerde, slaagde men er telkens in het opnieuw dieper te begeleiden. Over de overlevingskans bleef echter twijfel bestaan.

Helaas zocht de dwergvinvis na de eerste stranding nog twee keer gevaarlijk ondiep water op. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/K. Moreau)

Op zondag 31 augustus kwam een dwergvinvis (Balaenoptera acutorostrata) in de problemen voor de Belgische oostkust. Het dier kwam net voor de middag in de verraderlijke ondiepten van de Baai van Heist terecht, en bij afgaand tij kwam het helemaal droog te liggen.

Verminderen van de gewichtsdruk

De strandredders waren de hele middag in de weer om de onfortuinlijke dwergvinvis te redden. Ze bouwden een muurtje van zand rond het dier en hielden het nat in een ondiep zwembadje. Het is belangrijk dat een walvisachtige op het droge zoveel mogelijk ondersteund wordt om de druk van het eigen gewicht op de organen te verminderen. Zelfs een waterdiepte van amper 25 cm is beter dan gewoon droog liggen.

De dwergvinvis, ongeveer 6 m lang en vermoedelijk 4 ton zwaar, bleef er relatief rustig bij. Het dier was heel alert, de ogen draaiden voortdurend alle richtingen uit. Slechts af en toe sloeg het met de staart of opende het de muil, waarbij de perfect uitgelijnde crèmekleurige baleinen zichtbaar waren. De dwergvinvis leek overigens gezond: het dier leek goed doorvoed, de huid was perfect gaaf en droeg slechts weinig parasieten.

Strandredders houden de onfortuinlijke dwergvinvis nat in een geïmproviseerd bassin. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/J. Haelters)

Het opkomend tij een handje helpen

Mariene biologen van het Instituut voor Natuurwetenschappen gaven advies over welke acties aangewezen waren. Met een bulldozer van de gemeente werd een kanaaltje gegraven: door het verdiepen van de kortste weg naar zee kon het dier bij opkomend tij sneller terug.

De strandredders bleven, samen met enkele brandweerlieden, een dierenarts en een aantal vrijwilligers, uren in het water staan, kniediep eerst, maar later bij stijgend water tot hun middel. Uiteindelijk konden ze rond 16u het dier door het uitgediepte kanaaltje naar dieper water begeleiden. Na ongeveer anderhalf uur een eind verder in zee heen en weer te hebben gezwommen keerde het echter tot tweemaal toe terug naar de kust. Telkens zwom de dwergvinvis zich opnieuw vast in ondiep water, maar kon men hem weer snel terugduwen. Het dier werd voor het laatst gezien tegen de avond.

Met een bulldozer wordt een kanaaltje gegraven waardoor het opkomend tij de dwergvinvis sneller kan bereiken. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/K. Moreau)
Het opkomend tij heeft de dwergvinvis bereikt. Tijd om de wand van het bassin te doorbreken. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/J. Haelters)

Aanhoudende waakzaamheid

Kort na de laatste actie verdween het dier vlak bij de kust onder water. In de laatste uren voor het vallen van de nacht werd de dwergvinvis niet meer teruggezien. Ietwat vreemd, want van een walvisachtige die bij strandingen stress heeft ervaren en fysieke inspanningen leverde tijdens pogingen om los te geraken, wordt verwacht dat deze niet meteen diep wegduikt maar aan de oppervlakte blijft om regelmatig te komen ademen. Diep wegduiken is bovendien niet mogelijk in de ondiepe Baai van Heist.

Ingegeven door de herhaalde terugkeer van de dwergvinvis naar de kustwateren, maar ook met de mogelijkheid van een aanspoelend kadaver in gedachten, bleven de hulpdiensten en het Instituut voor Natuurwetenschappen ook in de daaropvolgende uren waakzaam. Op maandag 1 september, wanneer het kort na de middag reeds twee bijkomende keren laag tij was geweest en geen dwergvinvis meer werd aangetroffen – dood of levend, werd de laatste alertheid afgeblazen.

De dwergvinvis wordt door het kanaal richting dieper water geleid. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/K. Moreau)
Het dier zwemt weg van de redders richting open water. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/K. Moreau)

Geslaagde reddingsactie?

Hoewel 31 augustus voor de strandredders een prachtige afsluiter van het zomerseizoen was – een teambuilding om nooit te vergeten, en ook de vele anderen die meewerkten (waaronder brandweer, politie, technische dienst, de dierenarts en enkele vrijwilligers) een pluim verdienen, blijkt de vrees over het verdere lot van de Belgische dwergvinvis inmiddels gegrond.

Op vrijdagavond 5 september spoelde in Katwijk (Nederland) immers een dode dwergvinvis aan. Ook dit dier was ongeveer 6 m lang. Het bleek om een mannetje te gaan. Het kadaver werd naar de Universiteit Utrecht gebracht. Op basis van een gedetailleerde vergelijking van foto’s van de dwergvinvis van Heist en het kadaver van Katwijk konden de Nederlandse en Belgische onderzoekers besluiten dat het op beide locaties om hetzelfde dier ging. Onder meer een litteken op de linkerflank was daarbij doorslaggevend.

De conclusie werd versterkt met een reconstructie van het traject dat de dode dwergvinvis in de dagen voor het aanspoelen had afgelegd. Deze ‘terug-in-de-tijd’-simulatie, gebaseerd op een wetenschappelijk model waarin zeestromingen een sleutelrol spelen, werd uitgevoerd door het Instituut voor Natuurwetenschappen. Het model bracht de dwergvinvis opmerkelijk dicht bij de plek waar hij op 31 augustus voor het laatst werd gezien. Dit resultaat wijst er ook op dat het dier waarschijnlijk al kort na de laatste waarneming aan de Belgische kust stierf, aangezien een levende vinvis zich niet zomaar door de stromingen zou laten meevoeren.

 

Dwergvinvissen blijven zeldzaam bij ons. Voor een overzicht van de meest recente strandingen en waarnemingen in België verwijzen we naar het zeezoogdierenrapport 2024 en een webartikel over een jonge dwergvinvis die in 2024 aanspoelde in Oostende.

Nationale oefening ter bestrijding van mariene vervuiling 2025

Het handhaven van een hoog niveau van paraatheid is essentieel voor alle partners van de Belgische Kustwacht bij het aanpakken van bedreigingen van mariene vervuiling.

Tijdens POLEX 2025, de nationale Belgische oefening ter bestrijding van mariene vervuiling die plaatsvond op 18 juni 2025, leverde het Instituut voor Natuurwetenschappen een belangrijke bijdrage met twee belangrijke middelen: 1) het luchttoezichtvliegtuig zorgde voor coördinatie en realtime monitoring van bovenaf, terwijl 2) modelsimulaties ontwikkeld door het Marine Forecasting Centre de besluitvorming op zee ondersteunden.

Interballast III (gecharterd door EMSA) tijdens POLEX 2025 (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Deze capaciteiten vormden een aanvulling op het schip Interballast III (gecharterd door het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid), de Belgische Kustwachtpartners en het Franse marineschip Argonaute in een gesimuleerd scenario van een olielozing nabij offshore windparken.

Door de combinatie van respons ter plaatse, satellietbeelden en wetenschappelijke input, droeg het KBIN bij aan het versterken van het situationeel bewustzijn en de responscoördinatie in deze complexe omgeving. Oefeningen zoals POLEX 2025 zijn cruciaal om ervoor te zorgen dat wetenschap en operationele capaciteit, wanneer nodig, samenwerken om het mariene milieu te beschermen.

De Sirius en de Argonaute in actie (© FOD Volksgezondheid)

POLEX 2025 maakte deel uit van de lopende Multipurpose Maritime Operation in België en Frankrijk en werd gecoördineerd door de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid. Meer gedetailleerde informatie over de oefening is te vinden in een nieuwsbericht op de website van de FOD Volksgezondheid.

De POLEX 2025 oefening gezien vanuit de lucht (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)