Luchtobservaties boven de Noordzee in 2025

In 2025 documenteerde het Instituut voor Natuurwetenschappen met het Kustwachtvliegtuig 96 gevallen van zee-en-luchtverontreiniging. 13 hadden betrekking op olievlekken en 5 op lozingen van andere schadelijke stoffen. Verder vertoonden respectievelijk 23 en 55 schepen verdachte zwavel- en stikstofwaarden in de rookpluimen. De overige activiteiten bestonden onder meer uit vluchten in het kader van ruimer maritiem toezicht ten dienste van de Kustwachtpartners, visserijcontroles en zeezoogdierentellingen.

Het Kustwachtvliegtuig boven de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

In 2025 voerde het Belgische Kustwachtvliegtuig 185 vlieguren uit boven de Noordzee in het kader van het nationale luchttoezichtprogramma. Dit programma wordt georganiseerd door de Wetenschappelijke Dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee” (BMM) van het Instituut voor Natuurwetenschappen, in samenwerking met Defensie.

Het merendeel van de vlieguren betrof nationale vluchten, goed voor in totaal 145 vlieguren. Daarvan werd 135 uur uitgevoerd in het kader van de Belgische Kustwacht. Binnen deze vluchten werd 94 uur ingezet voor een ruimer maritiem toezicht: toezicht op lozingen van olie, andere schadelijke stoffen en afval (45,5 uur, in het kader van MARPOL-bijlagen I, II en V), monitoring van zwavel- en stikstofuitstoot door schepen (48,5 uur, met het oog op de handhaving van MARPOL-bijlage VI) en visserijcontrole (35 uur, in opdracht van de Vlaamse dienst Zeevisserij). Ook werd luchtsteun verleend tijdens meerdere oefeningen voor pollutiebestrijding op zee. De resterende nationale vlieguren werden besteed aan de monitoring van zeezoogdieren (10,5 uur).

Daarnaast gingen 40 uren naar internationale vluchten in het kader van het Akkoord van Bonn. Het ging om een Tour d’horizon-missie ter controle van boorplatformen in de Noordzee (noordelijk tot Noorwegen en Schotland) en een meerdaagse campagne aan de grens van het emissiecontrolegebied (Emission Control Area – ECA) ter hoogte van Bretagne voor de monitoring van de uitstoot van schepen op zee.

Scheepslozingen op zee

In 2025 werden geen operationele (= doelbewuste) olieverontreinigingen vastgesteld in het Belgische deel van de Noordzee. Hierdoor blijft de dalende trend van de afgelopen 35 jaar overeind.

Aantal geobserveerde operationele olieverontreinigingen per vlieguur in het Belgische deel van de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/ BMM)

Wel werden 3  gevallen van operationele verontreiniging met andere schadelijke vloeistoffen dan olie (MARPOL Bijlage II) waargenomen in het Belgische deel van de Noordzee, telkens zonder vervuiler in de buurt. Hierdoor was het niet mogelijk om na te gaan welk type vloeistof, anders dan olie, precies in zee werd geloosd.

Het lozen van andere schadelijke vloeistoffen dan olie vormt nog steeds een courant probleem. Tot 2022 leek het aantal waarnemingen in stijgende lijn te evolueren. De lichte daling die in 2023 werd genoteerd zette zich in 2024 verder en lijkt in 2025 stand te houden. Dit heeft mogelijk te maken met verscherpte regelgeving op de lozingsstandaarden voor dergelijke stoffen (onder meer met het invoeren van strenge lozingsnormen voor zogenaamde ‘Persistent Floaters’ zoals paraffine-achtige stoffen sinds 2021) en lijkt een bemoedigende kentering.

Gezien de lage pakkans, de grote jaarlijkse schommelingen in het aantal observaties, en de veranderingen in de aard van de missies van het vliegtuig (met scheepsemissiemonitoring die recent een prominentere plaats innam) is het nog te voorbarig om hier al conclusies uit te trekken. De stijging die tot 2022 waarneembaar was werd niettemin ook door andere Noordzeelanden opgemerkt. Dat het wellicht vaak om toegestane lozingen gaat neemt niet weg dat ze, in variërende graad van ernst, een negatieve impact kunnen hebben op het mariene milieu. Het is belangrijk dat kuststaten deze lozingen blijven monitoren. Zo worden potentiële problemen op zee in kaart gebracht en wordt een basis gevormd om internationale lozingsstandaarden waar nodig aan te laten passen.

Aantal geobserveerde operationele verontreinigingen van andere schadelijke stoffen per vlieguur in het Belgische deel van de Noordzee. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Er werden in 2025 geen inbreuken vastgesteld op Bijlage V van het MARPOL Verdrag, dat betrekking heeft op het storten van vuilnis en vaste bulkstoffen in zee.

Wel werd een brand aan boord van het schip Grande Basile waargenomen, in Britse wateren net voorbij de grens met de Belgische wateren. Daarnaast vond in het Belgische ankergebied een aanvaring plaats tussen de schepen Fuji Lava en Bow Explorer. Gelukkig leidden beide incidenten niet tot accidentele zeeverontreiniging.

Brand aan boord van het schip Grande Basile. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Olieverontreiniging in Belgische havens

In 2025 werden twee olieverontreinigingen waargenomen in de haven van Antwerpen. Zo detecteerde het Kustwachtvliegtuig op 10 maart een verweerde olievlek aan de oostelijke zijde van het Zuidelijke insteekdok, zonder vervuiler in de buurt. Op 29 juli werden verschillende olie-vlekken waargenomen in het 4e havendok. Deze detecties werden voor opvolging gerapporteerd aan de havenautoriteiten.

Olievervuiling in het 4e havendok op 29 juli 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Zwavel- en stikstofuitstoot

Ons land staat bekend als een internationale trekker in de strijd tegen luchtvervuiling door schepen op zee (MARPOL-bijlage VI) door het toepassen van een sniffer-sensor aan boord van het Kustwachtvliegtuig. Deze sensor meet diverse luchtpolluenten in de rookpluimen van schepen.

Zwavelmetingen staan al sinds 2015 op het programma. Ze hebben als doel de strenge zwavellimieten voor scheepsbrandstof in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA) te monitoren. Uit de resultaten van de in 2025 uitgevoerde zwavelmetingen blijkt dat 23 van de 731 geïnspecteerde schepen een verdacht hoge zwavelwaarde vertoonden. Deze verdachte schepen werden gerapporteerd aan de bevoegde Belgische en Europese maritieme inspectiediensten, die instaan voor de verdere opvolging en controles aan wal. Het aandeel schepen met een verdachte zwavelwaarde daalde sterk sinds 2015 en stabiliseert de laatste jaren rond 3%.

Jaarlijks aandeel (%) schepen met een verdachte zwavelwaarde (SO₂) in de rookpluim, gemeten door het Kustwachtvliegtuig tijdens monitoring in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA), 2015–2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Sinds de toevoeging van een NOx-sensor in 2020 meet het vliegtuig ook de concentratie aan stikstofverbindingen (NOx) in de rookpluimen van schepen. Hiervoor gelden sinds 1 januari 2021 eveneens strengere beperkingen in de Noordzee-ECA. In 2025 leidde dit tot metingen van verdachte waarden bij 59 van de 731 gemonitorde schepen, die eveneens systematisch werden gerapporteerd aan de bevoegde maritieme administraties. Het aandeel schepen met een verdachte NOx-waarde steeg geleidelijk sinds 2020, wat de noodzaak van een verdere opvolging van de naleving van de ECA-emissienormen benadrukt.

Jaarlijks aandeel (%) schepen met een verdachte stikstofwaarde (NOx) in de rookpluim, gemeten door het Kustwachtvliegtuig tijdens monitoring in het Noordzee-emissiecontrolegebied (ECA), 2020–2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Uitstoot van zwarte koolstof

In 2021 werd een “black carbon”-sensor toegevoegd aan de snifferopstelling van het Kustwachtvliegtuig. Hiermee wordt de uitstoot van zwarte koolstof, een belangrijke fractie van fijn stof en roet, in scheepsemissies gemeten. Tussen 2021 en 2024 werd de individuele uitstoot van zwarte koolstof door 886 schepen gedocumenteerd. Deze metingen, uitgevoerd onder reële operationele omstandigheden op zee, tonen aan dat schepen in de zuidelijke Noordzee en het Kanaal aanzienlijk meer zwarte koolstof uitstoten dan tot dusver internationaal werd aangenomen.

De resultaten werden gepubliceerd in een wetenschappelijk artikel in het tijdschrift Atmosphere, en bevestigen dat luchtobservaties een doeltreffend instrument zijn om de werkelijke uitstoot van de scheepvaart in kaart te brengen.

De gegevens illustreerden ook een duidelijke afname van de uitstoot van zwarte koolstof bij het gebruik van ECA-conforme, laagzwavelige brandstoffen, en het belang van motorbelasting als bepalende factor voor de uitstoot van zwarte koolstof. Bovendien tonen de resultaten aan dat schepen met een “exhaust gas cleaning system”, ook wel scrubber genoemd, meer zwarte koolstof uitstoten dan schepen die varen op ECA-conforme brandstoffen. Met deze wetenschappelijke onderbouwing levert België een belangrijke bijdrage aan internationale beleidsdiscussies binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en benadrukt het zijn voortrekkersrol in de transitie naar een duurzamere scheepvaart.

Ruimer maritiem toezicht

In het kader van de Kustwachtsamenwerking draagt het vliegtuig tijdens elke vlucht ook bij aan de ruimere maritieme handhaving en veiligheid op zee.

In 2025 rapporteerden luchtoperatoren van de BMM in deze context zes vissersschepen zonder werkend automatisch identificatiesysteem voor schepen (AIS) aan de Kustwachtcentrale.  Daarnaast werden 27 inbreuken op de navigatieregels waargenomen in en nabij de Belgische wateren, zoals vervat in het COLREG Verdrag (Convention on the International Regulations for Preventing Collisions at Sea). Dit is meer dan in voorgaande jaren, waarbij het vooral gaat om schepen die tegen de vastgelegde richting varen (spookvaren) of voor anker gaan in een actieve vaarroute. Deze waarnemingen werden systematisch voor opvolging gemeld aan het Directoraat-generaal Scheepvaart (FOD Mobiliteit en Vervoer).

Bij controles op intrusies binnen de veiligheidsperimeter van bepaalde zones (zoals windparken of aquacultuurzones) werden in 2025 anderzijds geen overtredingen waargenomen.

Monitoring van zeezoogdieren 

In maart en juni 2025 voerde het Instituut voor Natuurwetenschappen monitoringsvluchten voor zeezoogdieren uit. Er werden respectievelijk 95 en 40 bruinvissen waargenomen. Op basis hiervan werden via een wetenschappelijk onderbouwde extrapolatie realistische schattingen van de totale aantallen in de Belgische wateren berekend, waarbij het respectievelijk om meer dan 4000 en net geen 2000 bruinvissen ging. Verder werden tijdens de twee vluchten ook respectievelijk 11 en 13 zeehonden gezien. In maart kon in de buurt van de oostelijke windparkzone ook een tuimelaar worden gedocumenteerd, de dolfijnensoort die het vaakst in de Belgische wateren opduikt.

De zeezoogdierentellingen kaderen in de uitvoering van grootschalige constructiewerken in onze wateren, en in internationale verplichtingen om zeezoogdieren te beschermen. De verzamelde gegevens worden gebruikt om activiteiten af te stemmen en passende maatregelen te nemen om negatieve impact van menselijke activiteiten zoveel mogelijk te minimaliseren.

Bruinvissen tijdens een zeezoogdierentelling vanuit het Kustwachtvliegtuig. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Internationale missies

In augustus 2025 voerde het Kustwachtvliegtuig de jaarlijkse internationale Tour d’Horizon-missie uit in het kader van het Akkoord van Bonn. Hierbij wordt zeeverontreiniging afkomstig van boorplatformen opgespoord in het centrale deel van de Noordzee, in Nederlandse, Deense, Britse en Noorse offshore wateren. Het vliegtuig detecteerde in totaal 11 olievervuilingen en 2 vervuilingen van andere schadelijke vloeistoffen (noxious liquid substances, of NLS), een relatief laag aantal in vergelijking met de voorgaande jaren. Alle 11 olievervuilingen konden rechtstreeks worden gelinkt aan een olieplatform. Eén van de NLS-lozingen kon aan een schip worden gelinkt, terwijl de oorzaak van de tweede vervuiling onbekend bleef. Alle waarnemingen werden systematisch gerapporteerd aan de bevoegde Kuststaat voor verdere opvolging overeenkomstig de internationale procedures.

In september 2025 werd een vijfdaagse internationale campagne uitgevoerd aan de ECA-grens ter hoogte van de westelijke toegang tot het Engels Kanaal nabij Brest (Bretagne, Frankrijk). Hierbij werd de uitstoot gecontroleerd van 167 schepen. Vier schepen waren niet in overeenstemming met de zwavelregelgeving en 12 schepen hadden een te hoge NOx-uitstoot. Het aantal zwavelovertredingen is laag in vergelijking met de voorgaande jaren, wat vermoedelijk te wijten is aan de grote hoeveelheid regen en hoge vochtigheid gedurende deze campagne (waarbij zwavel met water tot zwavelzuur reageert, dat niet meer gemeten kan worden). Alle waarnemingen werden gerapporteerde aan de bevoegde instanties in Frankrijk en de Europese aanloophavens. De metingen werden eveneens opgenomen in Thetis-EU, de Europese inspectiedatabank.

Olieverontreiniging aan een boorplatform waargenomen door het Kustwachtvliegtuig. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/BMM)

Luchtvervuiling door de Russische schaduwvloot in de Noordzee

Meer dan vier jaar na het begin van de Russische invasie in Oekraïne toont een nieuwe studie van het Instituut voor Natuurwetenschappen een duidelijke stijging aan van overtredingen van internationale scheepsemissieregels door de Russische schaduwvloot in de Belgische Noordzee. De studie wijst erop dat schaduwvlootschepen steeds vaker niet-conforme brandstof gebruiken. Dat leidt tot hogere uitstoot van zwaveldioxide (SO₂).

MS Ethera in de haven van Zeebrugge (© Instituut voor Natuurwetenschappen)

De Noordzee is aangeduid als een emissiecontrolegebied (‘Emission Control Area’ of ECA) onder de regelgeving van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Binnen deze gebieden gelden strikte limieten voor de uitstoot van zwavel- en stikstofoxiden. Dat moet de luchtkwaliteit verbeteren en mariene ecosystemen beschermen.

Naleving kan worden bereikt door gebruik te maken van brandstof met een zwavelgehalte van maximaal 0,1%. In België wordt niet-naleving onder andere vastgesteld via luchtkwaliteitsmetingen aan boord van het Belgische kustwachtvliegtuig beheerd door het Instituut voor Natuurwetenschappen.

Toename overtredingsgraad

De nieuwe studie combineert tien jaar (2015–2025) aan luchtmetingen van scheepsemissies met scheepsdata afkomstig van het Automatic Identification System (AIS) en internationale sanctiedatabanken. De term “schaduwvloot” heeft geen eenduidige definitie binnen de maritieme handhavingscontext. Daarom onderscheidt deze studie twee categorieën van “Rusland-gerelateerde” schepen: (1) formeel gesanctioneerde schepen en (2) schepen die niet onder sancties vallen, maar handel drijven met Russische havens of onder Russische vlag varen.

De resultaten tonen een opmerkelijke toename van de niet-naleving aan bij deze Rusland-gerelateerde schepen na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne in 2022. Vóór 2022 volgden deze schepen de algemene dalende trend in niet-naleving zoals waargenomen bij de rest van de internationale koopvaardij schepen. Na 2022 steeg echter hun niet-naleving tot 14,8%. Bij de referentievloot daalde dit cijfer verder naar 0,7%.

Evolutie van het gebruik van niet-conforme brandstof door Rusland-gerelateerde schepen in vergelijking met de referentievloot (2015–2025)

Hoewel Rusland-gerelateerde schepen slechts ca. 5% van alle gemonitorde schepen vertegenwoordigden, waren zij in 2025 verantwoordelijk voor bijna 30% van alle vastgestelde overtredingen.

Het aandeel van gemeten (a) en niet-conforme (b) Rusland-gerelateerde schepen in 2025 ten opzichte van alle waarnemingen

In kaart brengen van de schaduwvloot

Om de aanwezigheid van schaduwvlootvaartuigen in Belgische wateren beter in kaart te brengen, ontwikkelde het Instituut voor Natuurwetenschappen een geautomatiseerd geofence systeem dat AIS-data combineert met externe databanken. Tijdens de studieperiode identificeerde het systeem gemiddeld bijna vier gesanctioneerde schepen per dag. Daarnaast voeren er dagelijks meer dan vier niet-gesanctioneerde schepen door Belgische wateren die handel drijven met Rusland.

De gesanctioneerde schepen die in deze studie werden waargenomen, waren over het algemeen oude schepen, met een gemiddelde leeftijd van meer dan twintig jaar. Dergelijke verouderende schepen vormen een verhoogd risico op technische defecten en milieu-incidenten. Veel van deze schepen opereren bovendien zonder verzekering of zelfs onder valse vlagregistratie, wat bijkomende bezorgdheid oproept over aansprakelijkheid in geval van incidenten op zee. Hun voortdurende aanwezigheid in het Belgische deel van de Noordzee onderstreept het belang van reguliere monitoring en waakzaamheid.

De hogere gemiddelde leeftijd en het gebruik van niet-conforme brandstoffen van Rusland-gerelateerde schepen verklaren wellicht ook een andere bevinding van de studie: naast de hogere niet-naleving voor zwavelemissies, lag ook de uitstoot van zwarte koolstof (black carbon) significant hoger dan bij de referentievloot. Deze uitstoot heeft bijzonder negatieve impact op het klimaat en volksgezondheid.

Eén maand van AIS-gegevens van gesanctioneerde schepen in Belgische wateren (april 2026)

Uitdaging voor handhaving

Deze bevindingen tonen een belangrijke uitdaging voor de handhaving. Veel schaduwvlootschepen varen door Europese wateren zonder een Europese haven aan te doen. Daardoor ontsnappen ze grotendeels aan de klassieke havenstaatcontrole. Luchttoezicht, gecombineerd met AIS-informatie, kan hier een belangrijke aanvulling bieden en gerichte handhavingsacties ondersteunen.

Recente acties van de Belgische autoriteiten en andere Europese lidstaten illustreren dit. Een voorbeeld is de inbeslagname van de MS Ethera begin 2026. Dit soort maatregelen kan een belangrijk ontradend effect hebben, en zo helpen om de milieurisico’s van de schaduwvloot in de Noordzee te beperken.

Het Instituut voor Natuurwetenschappen blijft zich inzetten voor onafhankelijke wetenschappelijke expertise over het mariene milieu. Het instituut is al meer dan tien jaar pionier op het gebied van luchtmonitoring van scheepsemissies, en zal deze monitoring voortzetten ter bescherming van het mariene milieu in de Noordzee.

 

Referentie van de studie (voorpublicatie, ingediend voor peer review)

Van Roy, Ward; Merveille, Jean Baptiste; Scheldeman, Kobe; Van Nieuwenhove, Annelore; D’hamers, Maan; Schallier, Ronny, Airborne Monitoring of Shadow Fleet Emissions in the North Sea ECA. Beschikbaar via: http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.6956831

Grote oefening oliebestrijding voor de kust van Zeebrugge

Op woensdag 17 juni vond voor de kust van Zeebrugge een grote oliebestrijdingsoefening plaats, in aanwezigheid van minister van de Noordzee Annelies Verlinden. Daarbij werd getest hoe België en zijn partners reageren bij een ernstige olievervuiling op zee. Volgens het scenario werd op zo’n 7 nautische mijl (12 km) van de kust een grote olievlek ontdekt. Het doel was om deze snel op te ruimen, vóór ze kwetsbare natuurgebieden zoals het Zwin en de Scheldemonding bereikte, en om hinder voor de havens te beperken. In plaats van olie werd stro gebruikt, dat zich op zee gelijkaardig gedraagt.

© FOD Volksgezondheid

Belgische en buitenlandse vaartuigen

In totaal namen zeven schepen deel aan de oefening, zowel Belgische als buitenlandse gespecialiseerde vaartuigen. Zo nam de Arca deel, een schip van de Nederlandse Rijkswaterstaat dat is uitgerust met veegarmen die de olie kunnen verzamelen. België zette de Zeetijger en de Sirius in. Deze schepen van Vloot (Agentschap MDK) kunnen bij een grote ramp worden uitgerust om olie op te ruimen.

Ook de Interballast III deed mee. Dit schip, eigenlijk een zandzuiger van de Group De Cloedt, wordt door het Europees Maritiem Veiligheidsagentschap (EMSA) ingezet bij grote incidenten op de Noordzee. Ook dit schip kan worden uitgerust met veegarmen om olie op te ruimen. Het ruim van het vaartuig is bovendien verwarmd zodat de opgevangen olie vloeibaar blijft en overgepompt kan worden wanneer het schip vol is.

Samenwerking tussen kustwachtpartners en landen

De oliebestrijdingsoefening werd gecoördineerd door de dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid en uitgevoerd door de Belgische kustwachtpartners in samenwerking met Nederlandse en Europese organisaties.

De Belgische Kustwacht is een samenwerkingsnetwerk dat instaat voor taken op zee in verband met veiligheid, toezicht en hulpverlening. 17 Vlaamse en federale overheidsdiensten en de gouverneur van West-Vlaanderen maken deel uit van de Kustwacht. Door samen te werken zorgen de verschillende diensten ervoor dat deze taken efficiënt en goed gecoördineerd worden uitgevoerd op de Noordzee. De Wetenschappelijke Dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen is één van de federale partners, en organiseert in die hoedanigheid ook de activiteiten van het Belgische Kustwachtvliegtuig.

De oefening vond plaats in het kader van de Multipurpose Maritime Operation (MMO), een jaarlijkse grootschalige en multifunctionele maritieme operatie op de Noordzee, gecoördineerd door het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid (EMSA), het Europees Agentschap voor grenscontrole (FRONTEX) en het Europees Agentschap voor Visserijcontrole (EFCA), met steun van de Europese Unie. Lidstaten werken hierbij nauw samen rond kustwachttaken zoals maritieme veiligheid, milieubescherming en grensbewaking.

© FOD Volksgezondheid

Internationale aandacht voor BBNJ kandidatuur

De oefening werd bijgewoond door minister van Justitie en Noordzee Annelies Verlinden, samen met voorzitter van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Dirk Ramaekers, Directeur‑Generaal Leefmilieu Pierre Kerkhofs en de Belgische Speciaal Gezant voor de Oceaan Sophie Mirgaux Dillien. Voor het Instituut voor Natuurwetenschappen namen onder meer Algemeen Directeur Michel Van Camp en Operationeel Directeur Steven Degraer (Operationele Directie Natuurlijk Milieu) de honneurs waar.

Hun aanwezigheid – aan boord van het onderzoeksschip RV Belgica – kaderde in de Belgische kandidatuur voor de huisvesting van het secretariaat van het nieuwe VN‑Oceaanverdrag (BBNJ, Biodiversity Beyond National Jurisdiction). In datzelfde kader volgden ook verschillende buitenlandse diplomaten de oefening. Het BBNJ‑verdrag heeft als doel de biodiversiteit op volle zee beter te beschermen en duurzaam te beheren, onder meer via mariene beschermde gebieden, milieueffectenbeoordelingen en afspraken over het gebruik van mariene genetische hulpbronnen.

Annelies Verlinden, minister van Justitie en Noordzee:

“De oceaan stopt niet aan landsgrenzen, en olievervuiling ook niet. Deze oefening toont hoe cruciaal samenwerking is om de oceaan te beschermen. België investeert in materiaal, capaciteit en kennis om de zee veilig en schoon te houden, en in nationale en internationale partnerschappen. Met zijn kandidatuur voor het BBNJ-secretariaat wil België zijn expertise en verbindende rol inzetten om de biodiversiteit op volle zee beter te beschermen.”

© FOD Volksgezondheid

Na de oefening: evaluatie

Twee weken na de oefening volgt een evaluatie met alle partners. Dan bekijken we wat goed ging en wat beter kan. De verbeterpunten worden geïntegreerd in het Interventieplan Oliebestrijding.

Nature-Inclusive Design op Prinses Elisabeth Eiland: Stopzetting van het NID4BirdLIFE-project

Als onderdeel van de ontwikkeling van het Prinses Elisabetheiland onderzoeken Elia en haar wetenschappelijke partners hoe grootschalige offshore-infrastructuur kan bijdragen aan biodiversiteit door middel van Nature-Inclusive Design (NID). Een van de voorgestelde NID-maatregelen was de vestiging van een duurzame broedkolonie van drieteenmeeuwen op de eilandwanden. De ambitie om deze oplossing te realiseren moest echter uiteindelijk worden opgegeven vanwege aanzienlijke kostenstijgingen en operationele veiligheidsproblemen die de haalbaarheid van het project in gevaar brachten. Ondanks deze tegenslag blijven de partners zich volledig inzetten voor de implementatie van impactvolle NID-maatregelen en het bevorderen van duurzame oplossingen voor het mariene milieu. Andere maatregelen van het NID-plan van het energie-eiland vorderen goed.

Volwassen Drieteenmeeuw, 13 november 2022, Belgisch deel van de Noordzee (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Kelle Moreau)

Wat is Nature-Inclusive Design in de context van het Prinses Elisabeth Eiland?

Nature-Inclusive Design (NID) is een samenwerkingsverband dat ecologische expertise integreert in het ontwerp en de bouw van het energie-eiland, met als doel de biodiversiteit zowel boven als onder water te vergroten. Meer specifiek worden biodiversiteitsbevorderende elementen direct in de menselijke infrastructuur opgenomen. In plaats van in strijd met de natuur te bouwen, bevordert NID co-existentie en creëert het kansen voor flora en fauna om te gedijen in omgevingen die door menselijke activiteiten zijn gevormd.

Voor het Prinses Elisabetheiland zijn in samenwerking met experts op het gebied van mariene ecologie en natuurbehoud verschillende NID-maatregelen ontwikkeld:

  • Richels als broed- en rustplaatsen voor de drieteenmeeuw.
  • 3D-panelen in de diepe onderwaterzone die beschutting en aanhechtingsoppervlakken bieden aan zeeorganismen.
  • Chaotische erosiebescherming met complexe randen: het creëren van diverse leefomgevingen voor mariene soorten.
  • Oesterriffen: Bevordering van het herstel van de Europese platte oester.
  • Strategisch geplaatste rotsblokken: Vergroting van de complexiteit van het leefgebied.
  • Behoud en integratie van natuurlijke grindbedden: het waarborgen van ecologische continuïteit met de oorspronkelijke zeebodem.

Deze maatregelen weerspiegelen een gezamenlijke inzet voor het bouwen van veerkrachtige, duurzame infrastructuur die het omringende ecosysteem respecteert en verbetert.

Het NID4BirdLIFE project

Het NID4BirdLIFE-initiatief, dat in 2024 van start ging en waarbij Elia samenwerkte met het Instituut voor Natuurwetenschappen, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Renewables Grid Initiative (RGI), had als doel de populatie van de drieteenmeeuw (Rissa tridactyla) in de Noordzee te ondersteunen. Dit moest worden bereikt door nestrichels in de buitenwanden van het eiland te integreren om een ​​duurzame broedkolonie op het Prinses Elisabetheiland te vestigen.

Ondanks de ecologische ambitie en de gezamenlijke inspanningen die tot een goedgekeurd technisch ontwerp hebben geleid, zijn er twee grote risico’s ontstaan ​​die de haalbaarheid van het project aanzienlijk in gevaar hebben gebracht:

  1. Aanzienlijke kostenstijging: De aanschaf- en installatiekosten voor vogelrichels zijn in de loop der tijd verdrievoudigd, waardoor ook de mogelijke budgettoewijzing voor andere NID-maatregelen in gevaar komt.
  2. Risico op vogelaanvaringen: De aantrekkingskracht voor vogels leidt tot een onvermijdelijk risico voor helikopteroperaties, wat in strijd is met het ALARP-principe (As Low As Reasonably Practicable), dat vereist is voor de certificering van helikopterplatforms.

Hoewel uitgebreid onderzoek is gedaan naar mogelijke oplossingen – waaronder een hernieuwde evaluatie door INBO van de minimale lengte van de richels die nog steeds een positief resultaat zouden opleveren – kon Elia zich de hogere kosten van één enkele NID-maatregel niet veroorloven zonder de implementatie van de andere NID-maatregelen in gevaar te brengen.

Geconfronteerd met deze beperkingen moest het NID4BirdLIFE-project worden stopgezet. Deze beslissing is niet lichtvaardig genomen en weerspiegelt de complexe realiteit van baanbrekende infrastructuurprojecten. De steun van het Europees Agentschap voor Klimaat, Infrastructuur en Milieu (CINEA) en alle betrokken partijen gedurende het NID4BirdLIFE-project is van onschatbare waarde geweest.

Eerstejaars Drieteenmeeuw, 13 november 2022, Belgisch deel van de Noordzee (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Kelle Moreau)

Vooruitblik

De consortiumpartners bevestigen hun voornemen om de resterende NID-maatregelen uit te voeren, zoals overeengekomen met ecologische deskundigen.

Het baanbrekende karakter van de NID-strategie blijft centraal staan ​​in de visie van het consortium voor het energie-eiland. Samen wordt aanhoudend gezocht naar haalbare en impactvolle oplossingen die de biodiversiteit bevorderen en bijdragen aan een duurzaam marien milieu.

Ondanks de vroegtijdige beëindiging van het project heeft het consortium, dankzij de door RGI geleide activiteiten voor het betrekken van stakeholders, een state-of-the-art rapport geproduceerd over Innovative Nature-Inclusive Design solutions for Birdlife near offshore energy infrastructure. Dit rapport vat de belangrijkste uitdagingen en potentiële oplossingen samen die door stakeholders zijn geïdentificeerd en beschrijft voorgestelde principes ter ondersteuning van een effectievere implementatie in toekomstige projecten. Het NID4BirdLIFE-project heeft bijgedragen aan het initiëren van de discussies over dit onderwerp. RGI verbindt zich ertoe in de toekomst het overleg met centrale stakeholders voort te zetten via de Offshore Coalition for Energy and Nature (OCEaN).

Een gewaarschuwd mens telt voor twee: de schuimwaarschuwingsdienst van het Instituut voor Natuurwetenschappen

Op 10 mei 2026 gaf de schuimwaarschuwingsdienst, die in 2020 door het Instituut voor Natuurwetenschappen werd ontwikkeld, een hoog risico aan op gevaarlijke schuimvorming langs de Belgische en Nederlandse kust. Vervolgens werden waarschuwingen verstuurd naar gemeenten en surfclubs. Er hebben zich gelukkig geen incidenten voorgedaan.

Zeeschuim op een Nederlands strand, 11 mei 2026 (© Omroep West)

De meesten onder ons zagen wel eens zeeschuim aanspoelen, maar weinigen weten wat de oorzaak ervan is of welke risico’s het met zich meebrengt.

Elk voorjaar en begin zomer kunnen microscopische algen zoals Phaeocystis globosa explosief bloeien in de Noordzee. Wanneer deze algen afsterven, komen eiwitten en gelatineachtige stoffen vrij in het water. Wind en golven kloppen dit organische materiaal vervolgens op tot dik schuim, vergelijkbaar met opgeklopt eiwit.

Normaal gesproken ontstaan ​​hierdoor de bekende schuimstrepen die op het zeeoppervlak zichtbaar zijn. Maar onder bepaalde omstandigheden – een hoge algenbiomassa, sterke golven en aanlandige wind – kan het schuim zich enorm ophopen op stranden.

Dit is niet zonder gevaar. In het voorjaar van 2020 veroorzaakte extreme schuimvorming in de Nederlandse kustwateren, op sommige plaatsen tot wel een meter dik, op tragische wijze de dood van vijf surfers door verstikking.

Sindsdien houdt de Belgische Kustwacht, ondersteund door de teams voor teledetectie, maritieme weersvoorspellingen en luchttoezicht van het Instituut voor Natuurwetenschappen, het schuimrisico actief in de gaten met behulp van satellietbeelden, mariene weersvoorspellingsmodellen en luchtobservaties. Er is een speciale dienst opgezet om waarschuwingen te geven wanneer de schuimomstandigheden gevaarlijk worden. Ook de Nederlandse kust, waar schuimvorming nog ernstiger kan zijn, wordt gemonitord.

Op 10 mei 2026 wezen satellietgegevens van Aquascope (gefinancierd door Belspo), in combinatie met wind- en golfvoorspellingen van het Marine Forecasting Centre, op een hoog risico op gevaarlijke schuimvorming. Hierop werden waarschuwingen verstuurd naar gemeenten en surfclubs langs zowel de Belgische als de Nederlandse kust. Gelukkig werden er geen incidenten gemeld. In de daaropvolgende dagen werd de situatie nauwlettend in de gaten gehouden door het luchtbewakingsteam van het Instituut met behulp van Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS; onbemande drones) die boven de Belgische kustwateren werden ingezet in het kader van de Multipurpose Maritime Operations (MMO), gecoördineerd door het Europees Agentschap voor de Maritieme Veiligheid (EMSA).

Hoewel schuimvorming op zee grotendeels een natuurlijk fenomeen is, kunnen menselijke activiteiten het versterken. De verrijking van kustwateren met voedingsstoffen (“eutrofiëring” of “overbemesting”) – vaak gerelateerd aan de afvoer van landbouwmeststoffen die via rivieren en grondwater in zee terechtkomen – stimuleert de algengroei en kan daardoor de schuimvorming vergroten. Onderzoek heeft ook aangetoond dat gevaarlijke stoffen zoals PFAS zich in verhoogde concentraties in zeeschuim kunnen ophopen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

 

DETAIL – Een schuimwaarschuwing komt als volgt tot stand:

Stap 1 van het schuimwaarschuwingsproces: Op basis van de Copernicus Sentinel-3 satellietgegevens worden chlorofyl-a-kaarten gegenereerd die de dynamiek van algenbloei in de Belgische continentale zone beschrijven, zoals weergegeven in de samengestelde afbeelding van de algenbloei over een periode van twee weken (10 tot 25 april 2026) en de bijbehorende tijdreeks. Op deze manier kunnen Phaeocystis-bloeien worden gedetecteerd en kan worden geschat wanneer de algen beginnen af te sterven, wat resulteert in schuimvorming (ongeveer twee weken na de bloei, circa 5 mei 2026).
Stap 2 van het schuimwaarschuwingsproces: Wanneer de chlorofylconcentraties beginnen af te nemen, worden Sentinel-2-beelden met hoge resolutie (10 meter) geanalyseerd op schuim aan het oppervlak. Op 9 mei werd een aanzienlijke hoeveelheid schuim waargenomen in de buurt van Zeebrugge (links) en Scheveningen (rechts).
Stap 3 van het schuimwaarschuwingsproces: De mariene weersverwachtingen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van de twee andere factoren die nodig zijn voor schuimophoping: sterke golven (> 2 m) en aanlandige wind (> 6 m/s). Dit was het geval op 10 mei, wat de waarschuwing activeerde.
Stap 4 van het schuimwaarschuwingsproces: verificatie van de aanwezigheid van schuim door het luchttoezichtteam van het Instituut met behulp van een op afstand bestuurde drone (RPAS) die boven de Belgische kustwateren wordt ingezet en RGB- en infraroodbeelden levert.

Slim oog boven Noordzee: Europese Kustwachtdrone ingezet vanuit Lombardsijde

Voor het eerst opereert een drone die controles uitvoert boven de Noordzee vanuit België. De drone wordt voor het derde jaar op rij ter beschikking gesteld van de Belgische Kustwacht in het kader van de Multipurpose Maritime Operation (MMO).

© Belgische Marine / Jorn Urbain

Voor het derde jaar op rij neemt de Belgische Kustwacht deel aan de Multipurpose Maritime Operation (MMO) van het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid (EMSA). Ook het Europees Agentschap voor Visserijcontrole (EFCA) en Frontex ondersteunen deze operatie. Naast België en Frankrijk neemt dit jaar ook Nederland voor het eerst deel aan de samenwerking.

In het kader van deze internationale maritieme operatie stelt EMSA een drone ter beschikking van de deelnemende landen. Nieuw dit jaar is dat deze RPAS-drone (Remotely Piloted Aircraft System) tot half juli vanuit België opereert, wat de operationele inzetbaarheid aanzienlijk vergroot. De drone stijgt op vanaf de militaire basis van Lombardsijde, waar speciaal voor deze opdracht een tijdelijke operationele basis werd ingericht. Tijdens de vorige twee MMO-edities vertrok de drone uitsluitend vanuit het Franse CROSS Gris-Nez.

“Dankzij deze technologie kan sneller en gerichter worden opgetreden in een van de drukste en meest gevoelige zeegebieden van Europa”, zegt Kustwachtvoorzitter en administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust, Nathalie Balcaen.

© Belgische Marine / Jorn Urbain

Multifunctioneel

Op de Noordzee gelden strikte regels. Schepen moeten zich houden aan internationale vaarregels die instaan voor een veilig en ordelijk scheepvaartverkeer. Bepaalde zones, zoals windparken, zijn bovendien verboden gebied. Ook illegale visserij, mensensmokkel en transmigratie over zee, schepen die het verplichte AIS-identificatiesysteem niet gebruiken, mariene vervuiling door scheepsincidenten en andere inbreuken op de maritieme of milieuwetgeving kunnen met behulp van de drone efficiënt worden opgespoord, zodat gerichter kan worden opgetreden. Daarnaast kan de drone worden ingezet ter ondersteuning van zoek- en reddingsoperaties op zee en zelfs voor natuurwetenschappelijk onderzoek.

De RPAS-drone biedt volgens admiraal Tanguy Botman, commandant van de Belgische marine, verschillende belangrijke voordelen: “De drone kan snel worden ingezet, bestrijkt een veel groter gebied dan een patrouilleschip en levert haarscherpe beelden.” Die beelden worden in realtime gedeeld met de operator en de kustwachtcentra, waardoor sneller en doelgerichter kan worden opgetreden. Op termijn is het de ambitie om deze vorm van maritieme controle permanent in te zetten. (Voorbeeld van beelden gemaakt door de RPAS-drone in de video hieronder.)

Naast de vliegende drone stellen de Europese agentschappen ook een onderwaterdrone ter beschikking. Die kan onder meer worden ingezet om ongebruikte telecommunicatiekabels op te sporen en te helpen bij de opruiming ervan. Daarnaast maakt de onderwaterdrone het mogelijk om verloren ankers en wrakken nauwkeurig in kaart te brengen.

Complementair

Het luchttoezichtprogramma van de wetenschappelijke dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee” van het Instituut voor Natuurwetenschappen zal de inzet van de RPAS opvolgen als complementair instrument ter versterking van het bestaande bemande luchttoezicht boven de Noordzee.

De RPAS ondersteunen de werking door gerichte verificaties, observaties van incidenten en milieumonitoring mogelijk te maken. Het luchttoezichtteam volgt met het Belgische kustwachtvliegtuig onder meer dossiers op rond mogelijke zeeverontreiniging, oceanografische fenomenen zoals algenbloei en zeezoogdieren, verificaties van CleanSeaNet-satellietwaarschuwingen en incidenten met vervuiling als gevolg.

De combinatie van bemande en onbemande luchtmiddelen verhoogt de effectiviteit, continuïteit en toekomstbestendigheid van het Belgische maritieme toezicht.

© Belgische Marine / Jorn Urbain

De Belgische kustwacht is een structureel samenwerkingsverband tussen federale en Vlaamse overheidsdiensten met bevoegdheid op zee, gecoördineerd vanuit het Coast Guard Centre. De werking steunt op twee pijlers: veiligheid (security), gecoördineerd door het Maritime Information Crossroads (MIK), en hulpverlening (safety), gecoördineerd door het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC).

Openbare raadpleging over het monitoringprogramma voor onze Noordzee

Van 13 mei tot en met 12 juli 2026 organiseert de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een openbare raadpleging over het ontwerp van het monitoringprogramma voor de Belgische mariene wateren. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden opmerkingen en suggesties indienen over het voorgestelde programma.

Om te beoordelen hoe het gesteld is met de natuur in onze Noordzee en om na te gaan of genomen maatregelen daadwerkelijk effect hebben, is een goede opvolging van de toestand van het mariene milieu essentieel. Het monitoringprogramma maakt deel uit van de Belgische Mariene Strategie en dient om de milieutoestand van onze Noordzee te evalueren. Daarbij worden onder meer de biodiversiteit, de integriteit van de zeebodem, niet-inheemse soorten, eutrofiëring en verontreiniging opgevolgd.

De Belgische Mariene Strategie vloeit voort uit de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Deze richtlijn volgt een zesjarige cyclus en verplicht elke EU-lidstaat om een strategie uit te werken voor de bescherming, het behoud en het herstel van het mariene milieu. Het uiteindelijke doel is een goede milieutoestand te bereiken en een duurzaam gebruik van de mariene wateren te waarborgen.

Waarom een openbare raadpleging?

Via de openbare raadpleging krijgen burgers, organisaties en andere betrokkenen de kans opmerkingen te formuleren over het ontwerp van het programma. De feedback helpt om het definitieve programma doeltreffender en breder gedragen te maken.

Praktische informatie

Het ontwerpdocument en de instructies voor het indienen van opmerkingen zijn te vinden via de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Het voorliggende ontwerp van het monitoringprogramma voor de Belgische mariene wateren betreft een herziening van de monitoringprogramma’s die werden uitgevoerd tijdens de eerste twee cycli van de Belgische Mariene Strategie (in uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie), en beschrijft de monitoring die zal worden uitgevoerd tijdens de derde cyclus.

Het monitoringprogramma wordt uitgegeven door de Wetenschappelijke Dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)” van het Instituut voor Natuurwetenschappen en is een samenwerking tussen verschillende Belgische (federale en Vlaamse) overheidsdiensten en onderzoeksinstellingen.

De resultaten van de initiële beoordeling (2012) en de daaropvolgende beoordelingen (2018 en 2024) van de Belgische mariene wateren, alsook de beschrijving van de milieudoelen (oude en huidige), de voormalige monitoringprogramma’s en maatregelen, kunnen worden geraadpleegd op https://odnature.naturalsciences.be/msfd/.

Foto’s: Louise Delhaye, Instituut voor Natuurwetenschappen

Inzicht in de oceaan-laguneverbinding als basis voor duurzaam garnalenbeheer in Benin

Op 19 februari 2026 verdedigde Sylvain Gozingan met succes zijn proefschrift getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Zijn werk toont aan dat de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune in Benin voornamelijk wordt bepaald door goed gedefinieerde hydrodynamische mechanismen, die een cruciale rol spelen in het transport en de instroom van garnalenlarven in de lagune – een belangrijke bevinding voor het duurzame beheer van de visserijbronnen in Benin.

Sylvain Gozingan van de Universiteit van Abomey-Calavi in ​​Benin verdedigde openbaar zijn proefschrift in fysische oceanografie en numerieke modellering, getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Na de verdediging, die plaatsvond op 19 februari 2026 in het Instituut voor Natuurwetenschappen, in aanwezigheid van alle juryleden, ontving Sylvain de hoogste onderscheiding voor zijn proefschrift.

Sylvain Gozingan tijdens de openbare verdediging van zijn proefschrift, samen met de juryleden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Olivier Gourgue & Tania D’Haijère)

Onderzoek voor duurzaam beheer

Sylvain Gozingan legt uit: “Het onderzoek dat ik in het kader van mijn proefschrift heb uitgevoerd, richt zich op de ontwikkeling en toepassing van gekoppelde driedimensionale modellen, die hydrodynamica en deeltjesvolging combineren, om de mariene circulatie en de connectiviteit van larven in de Golf van Guinee te bestuderen, met een bijzondere focus op het Nokoué-oceaan-kanaal-lagunesysteem in Benin. Dit heeft het mogelijk gemaakt om de hydrodynamische mechanismen te identificeren die de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune voor commercieel belangrijke garnalenlarven bepalen.”

Ten eerste tonen de resultaten aan dat de instroom van larven in de lagune niet willekeurig is, maar afhankelijk van welomschreven fysieke omstandigheden. Deze wordt met name bevorderd door specifieke getijdeomstandigheden, het bestaan ​​van getijdevensters en hydrodynamische gunstige periodes, met een bijzonder gunstige periode tijdens het droge seizoen (januari-juni).

Ten tweede laat het onderzoek zien dat het transport van larven grotendeels verklaard kan worden door passieve driftmechanismen. Dit transport wordt gedomineerd door de gecombineerde werking van getijstromen, restcirculatie en door de wind veroorzaakte stromingen, zonder dat er op de bestudeerde schaal complex actief gedrag van de larven hoeft te worden verondersteld.

Studiegebied in de Golf van Guinee (zuidelijk Benin) met de drie geneste domeinen (links) en de bathymetrie van het kleinste domein van het COHERENS oceaan-kanaal-Nokoué-model. De oranje stippen geven de locaties aan waar de rivieren in de lagune uitmonden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/ECOMOD-Sylvain Gozingan)

Tot slot blijkt uit de analyse van de deeltjestrajecten dat de larven die de lagune daadwerkelijk bereiken, voornamelijk afkomstig zijn uit de ondiepe kustzone, met name uit gebieden waar de diepte minder dan of gelijk aan 15 meter is.

“Samenvattend versterken deze resultaten ons begrip van de connectiviteit in het Nokoué-oceaanlagunesysteem en leveren ze waardevolle wetenschappelijke informatie op voor het voorspellen van de verspreiding van larven, een cruciaal element voor het duurzame beheer van visserijbronnen,” concludeert Sylvain.

De resultaten van het proefschrift werden gepresenteerd aan de lokale gemeenschappen tijdens een feedbackworkshops die in 2024 in Benin werd georganiseerd.

Presentatie van de resultaten aan lokale gemeenschappen tijdens de feedbackworkshop in het dorp Ganvié in Benin. (© Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB))

Interdisciplinaire samenwerking met Belgische en Beninese ondersteuning

Sylvain had al een masterdiploma in fysische oceanografie en toepassingen, behaald in 2018 aan de Universiteit van Abomey-Calavi. Zijn scriptie richtte zich op de toepassing van een automatisch algoritme voor het identificeren en volgen van draaikolken op een reeks numerieke potentiële kolkvelden, beschouwd als een dynamische Lagrangiaanse tracer. Sindsdien heeft hij een passie ontwikkeld voor het bestuderen van deeltjes in mariene ecosystemen, met behulp van data-analyse en numerieke modellering.

Sinds februari 2020 werkt Sylvain samen met het Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB) en het ECOMOD-team van het Instituut voor Natuurwetenschappen. Deze samenwerking vond plaats in het kader van het project Shrimp-I (Toepassing van het COHERENS-model voor een beter beheer van garnalenbestanden in Benin) en het project Shrimp-II (Toepassing van het COHERENS-model voor de levenscyclusanalyse van garnalen en oesters om hun bestanden in de Beninese wateren beter te beheren). Deze projecten werden gefinancierd door het directoraat-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp (DGD) in het kader van het CEBioS-programma (Capacities for Biodiversity and Sustainable Development).

Van geopolitieke uitdagingen tot capaciteit opbouwen voor kustwachtoperaties

Op 11 en 12 februari 2026 organiseerde het European Maritime Safety Agency (EMSA) de eerste thematische workshop van het European Coast Guard Functions Forum (ECGFF)-programma voor 2026 in haar vestiging in Lissabon. België nam deel met vertegenwoordigers van DG Scheepvaart (Stefanie Monsaert), het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (Yves Maekelberg), de Kustwacht (Eefje Deweer) en de wetenschappelijke dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen (Kobe Scheldeman).

Multifunctioneel en complementair toezicht

Een modern en effectief kustwachttoezicht vereist een multifunctionele aanpak, waarbij verschillende middelen – zoals satellieten, drones (onderwater en in de lucht), vliegtuigen, schepen en grondsystemen – complementair worden ingezet. Geen enkel instrument is op zichzelf voldoende om de complexe maritieme uitdagingen van vandaag aan te pakken.

Door samenwerking tussen agentschappen en lidstaten en het combineren van technologieën wordt een robuust, real-time beeld van de zee geboden. Dit maakt het mogelijk om zowel veiligheid, milieu, visserij en handhaving efficiënt te coördineren

Geopolitieke evoluties en operationele impact

De deelnemers bogen zich over de snel veranderende geopolitieke context en de gevolgen daarvan voor de dagelijkse maritieme operaties. Opvallend is de recente toename van vals gevlagde schepen en de activiteiten van de zogenaamde schaduwvloot: oudere, slecht onderhouden schepen waarbij authenticiteit van vlag en verzekeringsdocumenten moeilijk te verifiëren zijn vormen een groter risico voor incidenten.

Door expertise te bundelen en operationele informatie te delen onder de lidstaten en daarbovenop te verrijken met aanvullende data, worden stappen gezet om deze schepen beter in kaart te brengen. Veel van deze schepen lopen nooit een haven binnen en blijven op zee opereren via ship‑to‑ship‑overslag, met alle risico’s van dien. Het principe van vrije doorvaart blijft essentieel, maar bemoeilijkt de handhaving.

EU-agentschappen versterken hun ondersteuning

EMSA gaf een update over haar diensten, met bijzondere aandacht voor de verdere uitbouw van de Remotely Operated Vehicle (ROV)-capaciteit. Deze systemen kunnen tot 3000 meter diep opereren en worden ingezet voor onderzoek en acties zoals het in kaart brengen van kabels, ankers en wrakstukken. België maakte de voorbije twee jaar al gebruik van deze diensten.

Het European Fisheries Control Agency (EFCA) presenteerde een tijdslijn voor nieuwe regelgeving en technologische tools zoals hydrofoons (via geluidsdetectie in kaart brengen van illegale visserij), DNA-kits (identificatie van vissoorten), satellietbeelden, Remote Electronic Monitoring (REM), drones (UAV’s) en artificiële intelligentie. Deze tools werden oorspronkelijk niet gemaakt met visserijcontrole als doeleinde, de nodige aanpassingen om hun inzet te optimaliseren worden nu doorgevoerd.

FRONTEX lichtte de mogelijkheden toe om hun vliegtuigen in te zetten voor diverse kustwachtfuncties. Deze toestellen leveren maritieme situationele beeldvorming, ze kunnen inzoomen op verdachte schepen en sturen beelden bijna real-time door naar het operatiecentrum aan land. Bij incidenten kunnen ze hun vliegschema snel aanpassen.

Nood aan een nieuw Belgisch kustwachtvliegtuig

De bevindingen van de workshop onderstrepen één duidelijke realiteit: maritiem toezicht wordt technologisch complexer, geopolitiek gevoeliger en operationeel veeleisender. In die context is luchtcapaciteit geen luxe, maar een essentiële schakel binnen het geïntegreerde Europese toezichtsysteem waarin onder meer de European Maritime Safety Agency en Frontex opereren.

Na meer dan 30 jaar succesvol luchttoezicht moet worden vastgesteld dat het Belgische kustwachtvliegtuig een verouderd platform is dat dit jaar 50 jaar oud wordt. Hoewel het toestel jarenlang een betrouwbare partner is geweest in milieubescherming, veiligheid en maritieme handhaving, volstaat het niet langer om de steeds delicatere en technologisch intensievere operaties uit te voeren die vandaag van een kuststaat worden verwacht.

De toename van schaduwvloten, GPS-spoofing, complexe energietransporten en strengere Europese verplichtingen vragen om moderne sensoren, real-time dataverwerking en interoperabiliteit met Europese partners. Vervanging van het huidige toestel is daarom noodzakelijk om de continuïteit van deze opdrachten te waarborgen.

Zonder een nieuw kustwachtvliegtuig dreigt België niet langer over een geschikt platform voor luchttoezicht te beschikken. Dat zou onze capaciteit om te voldoen aan nationale en internationale verplichtingen inzake milieubescherming, crisissituaties, veiligheid en beveiliging in de Noordzee, ernstig onder druk zetten.

Binnen de Kustwacht wordt daarom, onder coördinatie van Defensie en het Instituut voor Natuurwetenschappen, samen met alle betrokken partners intensief gewerkt aan de voorbereiding en realisatie van de vervanging van het toestel, zodat België ook in de toekomst kan blijven beschikken over een moderne, performante en interoperabele luchttoezichtcapaciteit.

© Ben Ullings