Nature-Inclusive Design op Prinses Elisabeth Eiland: Stopzetting van het NID4BirdLIFE-project

Als onderdeel van de ontwikkeling van het Prinses Elisabetheiland onderzoeken Elia en haar wetenschappelijke partners hoe grootschalige offshore-infrastructuur kan bijdragen aan biodiversiteit door middel van Nature-Inclusive Design (NID). Een van de voorgestelde NID-maatregelen was de vestiging van een duurzame broedkolonie van drieteenmeeuwen op de eilandwanden. De ambitie om deze oplossing te realiseren moest echter uiteindelijk worden opgegeven vanwege aanzienlijke kostenstijgingen en operationele veiligheidsproblemen die de haalbaarheid van het project in gevaar brachten. Ondanks deze tegenslag blijven de partners zich volledig inzetten voor de implementatie van impactvolle NID-maatregelen en het bevorderen van duurzame oplossingen voor het mariene milieu. Andere maatregelen van het NID-plan van het energie-eiland vorderen goed.

Volwassen Drieteenmeeuw, 13 november 2022, Belgisch deel van de Noordzee (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Kelle Moreau)

Wat is Nature-Inclusive Design in de context van het Prinses Elisabeth Eiland?

Nature-Inclusive Design (NID) is een samenwerkingsverband dat ecologische expertise integreert in het ontwerp en de bouw van het energie-eiland, met als doel de biodiversiteit zowel boven als onder water te vergroten. Meer specifiek worden biodiversiteitsbevorderende elementen direct in de menselijke infrastructuur opgenomen. In plaats van in strijd met de natuur te bouwen, bevordert NID co-existentie en creëert het kansen voor flora en fauna om te gedijen in omgevingen die door menselijke activiteiten zijn gevormd.

Voor het Prinses Elisabetheiland zijn in samenwerking met experts op het gebied van mariene ecologie en natuurbehoud verschillende NID-maatregelen ontwikkeld:

  • Richels als broed- en rustplaatsen voor de drieteenmeeuw.
  • 3D-panelen in de diepe onderwaterzone die beschutting en aanhechtingsoppervlakken bieden aan zeeorganismen.
  • Chaotische erosiebescherming met complexe randen: het creëren van diverse leefomgevingen voor mariene soorten.
  • Oesterriffen: Bevordering van het herstel van de Europese platte oester.
  • Strategisch geplaatste rotsblokken: Vergroting van de complexiteit van het leefgebied.
  • Behoud en integratie van natuurlijke grindbedden: het waarborgen van ecologische continuïteit met de oorspronkelijke zeebodem.

Deze maatregelen weerspiegelen een gezamenlijke inzet voor het bouwen van veerkrachtige, duurzame infrastructuur die het omringende ecosysteem respecteert en verbetert.

Het NID4BirdLIFE project

Het NID4BirdLIFE-initiatief, dat in 2024 van start ging en waarbij Elia samenwerkte met het Instituut voor Natuurwetenschappen, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Renewables Grid Initiative (RGI), had als doel de populatie van de drieteenmeeuw (Rissa tridactyla) in de Noordzee te ondersteunen. Dit moest worden bereikt door nestrichels in de buitenwanden van het eiland te integreren om een ​​duurzame broedkolonie op het Prinses Elisabetheiland te vestigen.

Ondanks de ecologische ambitie en de gezamenlijke inspanningen die tot een goedgekeurd technisch ontwerp hebben geleid, zijn er twee grote risico’s ontstaan ​​die de haalbaarheid van het project aanzienlijk in gevaar hebben gebracht:

  1. Aanzienlijke kostenstijging: De aanschaf- en installatiekosten voor vogelrichels zijn in de loop der tijd verdrievoudigd, waardoor ook de mogelijke budgettoewijzing voor andere NID-maatregelen in gevaar komt.
  2. Risico op vogelaanvaringen: De aantrekkingskracht voor vogels leidt tot een onvermijdelijk risico voor helikopteroperaties, wat in strijd is met het ALARP-principe (As Low As Reasonably Practicable), dat vereist is voor de certificering van helikopterplatforms.

Hoewel uitgebreid onderzoek is gedaan naar mogelijke oplossingen – waaronder een hernieuwde evaluatie door INBO van de minimale lengte van de richels die nog steeds een positief resultaat zouden opleveren – kon Elia zich de hogere kosten van één enkele NID-maatregel niet veroorloven zonder de implementatie van de andere NID-maatregelen in gevaar te brengen.

Geconfronteerd met deze beperkingen moest het NID4BirdLIFE-project worden stopgezet. Deze beslissing is niet lichtvaardig genomen en weerspiegelt de complexe realiteit van baanbrekende infrastructuurprojecten. De steun van het Europees Agentschap voor Klimaat, Infrastructuur en Milieu (CINEA) en alle betrokken partijen gedurende het NID4BirdLIFE-project is van onschatbare waarde geweest.

Eerstejaars Drieteenmeeuw, 13 november 2022, Belgisch deel van de Noordzee (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Kelle Moreau)

Vooruitblik

De consortiumpartners bevestigen hun voornemen om de resterende NID-maatregelen uit te voeren, zoals overeengekomen met ecologische deskundigen.

Het baanbrekende karakter van de NID-strategie blijft centraal staan ​​in de visie van het consortium voor het energie-eiland. Samen wordt aanhoudend gezocht naar haalbare en impactvolle oplossingen die de biodiversiteit bevorderen en bijdragen aan een duurzaam marien milieu.

Ondanks de vroegtijdige beëindiging van het project heeft het consortium, dankzij de door RGI geleide activiteiten voor het betrekken van stakeholders, een state-of-the-art rapport geproduceerd over Innovative Nature-Inclusive Design solutions for Birdlife near offshore energy infrastructure. Dit rapport vat de belangrijkste uitdagingen en potentiële oplossingen samen die door stakeholders zijn geïdentificeerd en beschrijft voorgestelde principes ter ondersteuning van een effectievere implementatie in toekomstige projecten. Het NID4BirdLIFE-project heeft bijgedragen aan het initiëren van de discussies over dit onderwerp. RGI verbindt zich ertoe in de toekomst het overleg met centrale stakeholders voort te zetten via de Offshore Coalition for Energy and Nature (OCEaN).

Een gewaarschuwd mens telt voor twee: de schuimwaarschuwingsdienst van het Instituut voor Natuurwetenschappen

Op 10 mei 2026 gaf de schuimwaarschuwingsdienst, die in 2020 door het Instituut voor Natuurwetenschappen werd ontwikkeld, een hoog risico aan op gevaarlijke schuimvorming langs de Belgische en Nederlandse kust. Vervolgens werden waarschuwingen verstuurd naar gemeenten en surfclubs. Er hebben zich gelukkig geen incidenten voorgedaan.

Zeeschuim op een Nederlands strand, 11 mei 2026 (© Omroep West)

De meesten onder ons zagen wel eens zeeschuim aanspoelen, maar weinigen weten wat de oorzaak ervan is of welke risico’s het met zich meebrengt.

Elk voorjaar en begin zomer kunnen microscopische algen zoals Phaeocystis globosa explosief bloeien in de Noordzee. Wanneer deze algen afsterven, komen eiwitten en gelatineachtige stoffen vrij in het water. Wind en golven kloppen dit organische materiaal vervolgens op tot dik schuim, vergelijkbaar met opgeklopt eiwit.

Normaal gesproken ontstaan ​​hierdoor de bekende schuimstrepen die op het zeeoppervlak zichtbaar zijn. Maar onder bepaalde omstandigheden – een hoge algenbiomassa, sterke golven en aanlandige wind – kan het schuim zich enorm ophopen op stranden.

Dit is niet zonder gevaar. In het voorjaar van 2020 veroorzaakte extreme schuimvorming in de Nederlandse kustwateren, op sommige plaatsen tot wel een meter dik, op tragische wijze de dood van vijf surfers door verstikking.

Sindsdien houdt de Belgische Kustwacht, ondersteund door de teams voor teledetectie, maritieme weersvoorspellingen en luchttoezicht van het Instituut voor Natuurwetenschappen, het schuimrisico actief in de gaten met behulp van satellietbeelden, mariene weersvoorspellingsmodellen en luchtobservaties. Er is een speciale dienst opgezet om waarschuwingen te geven wanneer de schuimomstandigheden gevaarlijk worden. Ook de Nederlandse kust, waar schuimvorming nog ernstiger kan zijn, wordt gemonitord.

Op 10 mei 2026 wezen satellietgegevens van Aquascope (gefinancierd door Belspo), in combinatie met wind- en golfvoorspellingen van het Marine Forecasting Centre, op een hoog risico op gevaarlijke schuimvorming. Hierop werden waarschuwingen verstuurd naar gemeenten en surfclubs langs zowel de Belgische als de Nederlandse kust. Gelukkig werden er geen incidenten gemeld. In de daaropvolgende dagen werd de situatie nauwlettend in de gaten gehouden door het luchtbewakingsteam van het Instituut met behulp van Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS; onbemande drones) die boven de Belgische kustwateren werden ingezet in het kader van de Multipurpose Maritime Operations (MMO), gecoördineerd door het Europees Agentschap voor de Maritieme Veiligheid (EMSA).

Hoewel schuimvorming op zee grotendeels een natuurlijk fenomeen is, kunnen menselijke activiteiten het versterken. De verrijking van kustwateren met voedingsstoffen (“eutrofiëring” of “overbemesting”) – vaak gerelateerd aan de afvoer van landbouwmeststoffen die via rivieren en grondwater in zee terechtkomen – stimuleert de algengroei en kan daardoor de schuimvorming vergroten. Onderzoek heeft ook aangetoond dat gevaarlijke stoffen zoals PFAS zich in verhoogde concentraties in zeeschuim kunnen ophopen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

 

DETAIL – Een schuimwaarschuwing komt als volgt tot stand:

Stap 1 van het schuimwaarschuwingsproces: Op basis van de Copernicus Sentinel-3 satellietgegevens worden chlorofyl-a-kaarten gegenereerd die de dynamiek van algenbloei in de Belgische continentale zone beschrijven, zoals weergegeven in de samengestelde afbeelding van de algenbloei over een periode van twee weken (10 tot 25 april 2026) en de bijbehorende tijdreeks. Op deze manier kunnen Phaeocystis-bloeien worden gedetecteerd en kan worden geschat wanneer de algen beginnen af te sterven, wat resulteert in schuimvorming (ongeveer twee weken na de bloei, circa 5 mei 2026).
Stap 2 van het schuimwaarschuwingsproces: Wanneer de chlorofylconcentraties beginnen af te nemen, worden Sentinel-2-beelden met hoge resolutie (10 meter) geanalyseerd op schuim aan het oppervlak. Op 9 mei werd een aanzienlijke hoeveelheid schuim waargenomen in de buurt van Zeebrugge (links) en Scheveningen (rechts).
Stap 3 van het schuimwaarschuwingsproces: De mariene weersverwachtingen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van de twee andere factoren die nodig zijn voor schuimophoping: sterke golven (> 2 m) en aanlandige wind (> 6 m/s). Dit was het geval op 10 mei, wat de waarschuwing activeerde.
Stap 4 van het schuimwaarschuwingsproces: verificatie van de aanwezigheid van schuim door het luchttoezichtteam van het Instituut met behulp van een op afstand bestuurde drone (RPAS) die boven de Belgische kustwateren wordt ingezet en RGB- en infraroodbeelden levert.

Slim oog boven Noordzee: Europese Kustwachtdrone ingezet vanuit Lombardsijde

Voor het eerst opereert een drone die controles uitvoert boven de Noordzee vanuit België. De drone wordt voor het derde jaar op rij ter beschikking gesteld van de Belgische Kustwacht in het kader van de Multipurpose Maritime Operation (MMO).

© Belgische Marine / Jorn Urbain

Voor het derde jaar op rij neemt de Belgische Kustwacht deel aan de Multipurpose Maritime Operation (MMO) van het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid (EMSA). Ook het Europees Agentschap voor Visserijcontrole (EFCA) en Frontex ondersteunen deze operatie. Naast België en Frankrijk neemt dit jaar ook Nederland voor het eerst deel aan de samenwerking.

In het kader van deze internationale maritieme operatie stelt EMSA een drone ter beschikking van de deelnemende landen. Nieuw dit jaar is dat deze RPAS-drone (Remotely Piloted Aircraft System) tot half juli vanuit België opereert, wat de operationele inzetbaarheid aanzienlijk vergroot. De drone stijgt op vanaf de militaire basis van Lombardsijde, waar speciaal voor deze opdracht een tijdelijke operationele basis werd ingericht. Tijdens de vorige twee MMO-edities vertrok de drone uitsluitend vanuit het Franse CROSS Gris-Nez.

“Dankzij deze technologie kan sneller en gerichter worden opgetreden in een van de drukste en meest gevoelige zeegebieden van Europa”, zegt Kustwachtvoorzitter en administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust, Nathalie Balcaen.

© Belgische Marine / Jorn Urbain

Multifunctioneel

Op de Noordzee gelden strikte regels. Schepen moeten zich houden aan internationale vaarregels die instaan voor een veilig en ordelijk scheepvaartverkeer. Bepaalde zones, zoals windparken, zijn bovendien verboden gebied. Ook illegale visserij, mensensmokkel en transmigratie over zee, schepen die het verplichte AIS-identificatiesysteem niet gebruiken, mariene vervuiling door scheepsincidenten en andere inbreuken op de maritieme of milieuwetgeving kunnen met behulp van de drone efficiënt worden opgespoord, zodat gerichter kan worden opgetreden. Daarnaast kan de drone worden ingezet ter ondersteuning van zoek- en reddingsoperaties op zee en zelfs voor natuurwetenschappelijk onderzoek.

De RPAS-drone biedt volgens admiraal Tanguy Botman, commandant van de Belgische marine, verschillende belangrijke voordelen: “De drone kan snel worden ingezet, bestrijkt een veel groter gebied dan een patrouilleschip en levert haarscherpe beelden.” Die beelden worden in realtime gedeeld met de operator en de kustwachtcentra, waardoor sneller en doelgerichter kan worden opgetreden. Op termijn is het de ambitie om deze vorm van maritieme controle permanent in te zetten. (Voorbeeld van beelden gemaakt door de RPAS-drone in de video hieronder.)

Naast de vliegende drone stellen de Europese agentschappen ook een onderwaterdrone ter beschikking. Die kan onder meer worden ingezet om ongebruikte telecommunicatiekabels op te sporen en te helpen bij de opruiming ervan. Daarnaast maakt de onderwaterdrone het mogelijk om verloren ankers en wrakken nauwkeurig in kaart te brengen.

Complementair

Het luchttoezichtprogramma van de wetenschappelijke dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee” van het Instituut voor Natuurwetenschappen zal de inzet van de RPAS opvolgen als complementair instrument ter versterking van het bestaande bemande luchttoezicht boven de Noordzee.

De RPAS ondersteunen de werking door gerichte verificaties, observaties van incidenten en milieumonitoring mogelijk te maken. Het luchttoezichtteam volgt met het Belgische kustwachtvliegtuig onder meer dossiers op rond mogelijke zeeverontreiniging, oceanografische fenomenen zoals algenbloei en zeezoogdieren, verificaties van CleanSeaNet-satellietwaarschuwingen en incidenten met vervuiling als gevolg.

De combinatie van bemande en onbemande luchtmiddelen verhoogt de effectiviteit, continuïteit en toekomstbestendigheid van het Belgische maritieme toezicht.

© Belgische Marine / Jorn Urbain

De Belgische kustwacht is een structureel samenwerkingsverband tussen federale en Vlaamse overheidsdiensten met bevoegdheid op zee, gecoördineerd vanuit het Coast Guard Centre. De werking steunt op twee pijlers: veiligheid (security), gecoördineerd door het Maritime Information Crossroads (MIK), en hulpverlening (safety), gecoördineerd door het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC).

Openbare raadpleging over het monitoringprogramma voor onze Noordzee

Van 13 mei tot en met 12 juli 2026 organiseert de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een openbare raadpleging over het ontwerp van het monitoringprogramma voor de Belgische mariene wateren. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden opmerkingen en suggesties indienen over het voorgestelde programma.

Om te beoordelen hoe het gesteld is met de natuur in onze Noordzee en om na te gaan of genomen maatregelen daadwerkelijk effect hebben, is een goede opvolging van de toestand van het mariene milieu essentieel. Het monitoringprogramma maakt deel uit van de Belgische Mariene Strategie en dient om de milieutoestand van onze Noordzee te evalueren. Daarbij worden onder meer de biodiversiteit, de integriteit van de zeebodem, niet-inheemse soorten, eutrofiëring en verontreiniging opgevolgd.

De Belgische Mariene Strategie vloeit voort uit de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Deze richtlijn volgt een zesjarige cyclus en verplicht elke EU-lidstaat om een strategie uit te werken voor de bescherming, het behoud en het herstel van het mariene milieu. Het uiteindelijke doel is een goede milieutoestand te bereiken en een duurzaam gebruik van de mariene wateren te waarborgen.

Waarom een openbare raadpleging?

Via de openbare raadpleging krijgen burgers, organisaties en andere betrokkenen de kans opmerkingen te formuleren over het ontwerp van het programma. De feedback helpt om het definitieve programma doeltreffender en breder gedragen te maken.

Praktische informatie

Het ontwerpdocument en de instructies voor het indienen van opmerkingen zijn te vinden via de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Het voorliggende ontwerp van het monitoringprogramma voor de Belgische mariene wateren betreft een herziening van de monitoringprogramma’s die werden uitgevoerd tijdens de eerste twee cycli van de Belgische Mariene Strategie (in uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie), en beschrijft de monitoring die zal worden uitgevoerd tijdens de derde cyclus.

Het monitoringprogramma wordt uitgegeven door de Wetenschappelijke Dienst “Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)” van het Instituut voor Natuurwetenschappen en is een samenwerking tussen verschillende Belgische (federale en Vlaamse) overheidsdiensten en onderzoeksinstellingen.

De resultaten van de initiële beoordeling (2012) en de daaropvolgende beoordelingen (2018 en 2024) van de Belgische mariene wateren, alsook de beschrijving van de milieudoelen (oude en huidige), de voormalige monitoringprogramma’s en maatregelen, kunnen worden geraadpleegd op https://odnature.naturalsciences.be/msfd/.

Foto’s: Louise Delhaye, Instituut voor Natuurwetenschappen

Inzicht in de oceaan-laguneverbinding als basis voor duurzaam garnalenbeheer in Benin

Op 19 februari 2026 verdedigde Sylvain Gozingan met succes zijn proefschrift getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Zijn werk toont aan dat de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune in Benin voornamelijk wordt bepaald door goed gedefinieerde hydrodynamische mechanismen, die een cruciale rol spelen in het transport en de instroom van garnalenlarven in de lagune – een belangrijke bevinding voor het duurzame beheer van de visserijbronnen in Benin.

Sylvain Gozingan van de Universiteit van Abomey-Calavi in ​​Benin verdedigde openbaar zijn proefschrift in fysische oceanografie en numerieke modellering, getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Na de verdediging, die plaatsvond op 19 februari 2026 in het Instituut voor Natuurwetenschappen, in aanwezigheid van alle juryleden, ontving Sylvain de hoogste onderscheiding voor zijn proefschrift.

Sylvain Gozingan tijdens de openbare verdediging van zijn proefschrift, samen met de juryleden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Olivier Gourgue & Tania D’Haijère)

Onderzoek voor duurzaam beheer

Sylvain Gozingan legt uit: “Het onderzoek dat ik in het kader van mijn proefschrift heb uitgevoerd, richt zich op de ontwikkeling en toepassing van gekoppelde driedimensionale modellen, die hydrodynamica en deeltjesvolging combineren, om de mariene circulatie en de connectiviteit van larven in de Golf van Guinee te bestuderen, met een bijzondere focus op het Nokoué-oceaan-kanaal-lagunesysteem in Benin. Dit heeft het mogelijk gemaakt om de hydrodynamische mechanismen te identificeren die de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune voor commercieel belangrijke garnalenlarven bepalen.”

Ten eerste tonen de resultaten aan dat de instroom van larven in de lagune niet willekeurig is, maar afhankelijk van welomschreven fysieke omstandigheden. Deze wordt met name bevorderd door specifieke getijdeomstandigheden, het bestaan ​​van getijdevensters en hydrodynamische gunstige periodes, met een bijzonder gunstige periode tijdens het droge seizoen (januari-juni).

Ten tweede laat het onderzoek zien dat het transport van larven grotendeels verklaard kan worden door passieve driftmechanismen. Dit transport wordt gedomineerd door de gecombineerde werking van getijstromen, restcirculatie en door de wind veroorzaakte stromingen, zonder dat er op de bestudeerde schaal complex actief gedrag van de larven hoeft te worden verondersteld.

Studiegebied in de Golf van Guinee (zuidelijk Benin) met de drie geneste domeinen (links) en de bathymetrie van het kleinste domein van het COHERENS oceaan-kanaal-Nokoué-model. De oranje stippen geven de locaties aan waar de rivieren in de lagune uitmonden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/ECOMOD-Sylvain Gozingan)

Tot slot blijkt uit de analyse van de deeltjestrajecten dat de larven die de lagune daadwerkelijk bereiken, voornamelijk afkomstig zijn uit de ondiepe kustzone, met name uit gebieden waar de diepte minder dan of gelijk aan 15 meter is.

“Samenvattend versterken deze resultaten ons begrip van de connectiviteit in het Nokoué-oceaanlagunesysteem en leveren ze waardevolle wetenschappelijke informatie op voor het voorspellen van de verspreiding van larven, een cruciaal element voor het duurzame beheer van visserijbronnen,” concludeert Sylvain.

De resultaten van het proefschrift werden gepresenteerd aan de lokale gemeenschappen tijdens een feedbackworkshops die in 2024 in Benin werd georganiseerd.

Presentatie van de resultaten aan lokale gemeenschappen tijdens de feedbackworkshop in het dorp Ganvié in Benin. (© Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB))

Interdisciplinaire samenwerking met Belgische en Beninese ondersteuning

Sylvain had al een masterdiploma in fysische oceanografie en toepassingen, behaald in 2018 aan de Universiteit van Abomey-Calavi. Zijn scriptie richtte zich op de toepassing van een automatisch algoritme voor het identificeren en volgen van draaikolken op een reeks numerieke potentiële kolkvelden, beschouwd als een dynamische Lagrangiaanse tracer. Sindsdien heeft hij een passie ontwikkeld voor het bestuderen van deeltjes in mariene ecosystemen, met behulp van data-analyse en numerieke modellering.

Sinds februari 2020 werkt Sylvain samen met het Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB) en het ECOMOD-team van het Instituut voor Natuurwetenschappen. Deze samenwerking vond plaats in het kader van het project Shrimp-I (Toepassing van het COHERENS-model voor een beter beheer van garnalenbestanden in Benin) en het project Shrimp-II (Toepassing van het COHERENS-model voor de levenscyclusanalyse van garnalen en oesters om hun bestanden in de Beninese wateren beter te beheren). Deze projecten werden gefinancierd door het directoraat-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp (DGD) in het kader van het CEBioS-programma (Capacities for Biodiversity and Sustainable Development).

Van geopolitieke uitdagingen tot capaciteit opbouwen voor kustwachtoperaties

Op 11 en 12 februari 2026 organiseerde het European Maritime Safety Agency (EMSA) de eerste thematische workshop van het European Coast Guard Functions Forum (ECGFF)-programma voor 2026 in haar vestiging in Lissabon. België nam deel met vertegenwoordigers van DG Scheepvaart (Stefanie Monsaert), het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (Yves Maekelberg), de Kustwacht (Eefje Deweer) en de wetenschappelijke dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen (Kobe Scheldeman).

Multifunctioneel en complementair toezicht

Een modern en effectief kustwachttoezicht vereist een multifunctionele aanpak, waarbij verschillende middelen – zoals satellieten, drones (onderwater en in de lucht), vliegtuigen, schepen en grondsystemen – complementair worden ingezet. Geen enkel instrument is op zichzelf voldoende om de complexe maritieme uitdagingen van vandaag aan te pakken.

Door samenwerking tussen agentschappen en lidstaten en het combineren van technologieën wordt een robuust, real-time beeld van de zee geboden. Dit maakt het mogelijk om zowel veiligheid, milieu, visserij en handhaving efficiënt te coördineren

Geopolitieke evoluties en operationele impact

De deelnemers bogen zich over de snel veranderende geopolitieke context en de gevolgen daarvan voor de dagelijkse maritieme operaties. Opvallend is de recente toename van vals gevlagde schepen en de activiteiten van de zogenaamde schaduwvloot: oudere, slecht onderhouden schepen waarbij authenticiteit van vlag en verzekeringsdocumenten moeilijk te verifiëren zijn vormen een groter risico voor incidenten.

Door expertise te bundelen en operationele informatie te delen onder de lidstaten en daarbovenop te verrijken met aanvullende data, worden stappen gezet om deze schepen beter in kaart te brengen. Veel van deze schepen lopen nooit een haven binnen en blijven op zee opereren via ship‑to‑ship‑overslag, met alle risico’s van dien. Het principe van vrije doorvaart blijft essentieel, maar bemoeilijkt de handhaving.

EU-agentschappen versterken hun ondersteuning

EMSA gaf een update over haar diensten, met bijzondere aandacht voor de verdere uitbouw van de Remotely Operated Vehicle (ROV)-capaciteit. Deze systemen kunnen tot 3000 meter diep opereren en worden ingezet voor onderzoek en acties zoals het in kaart brengen van kabels, ankers en wrakstukken. België maakte de voorbije twee jaar al gebruik van deze diensten.

Het European Fisheries Control Agency (EFCA) presenteerde een tijdslijn voor nieuwe regelgeving en technologische tools zoals hydrofoons (via geluidsdetectie in kaart brengen van illegale visserij), DNA-kits (identificatie van vissoorten), satellietbeelden, Remote Electronic Monitoring (REM), drones (UAV’s) en artificiële intelligentie. Deze tools werden oorspronkelijk niet gemaakt met visserijcontrole als doeleinde, de nodige aanpassingen om hun inzet te optimaliseren worden nu doorgevoerd.

FRONTEX lichtte de mogelijkheden toe om hun vliegtuigen in te zetten voor diverse kustwachtfuncties. Deze toestellen leveren maritieme situationele beeldvorming, ze kunnen inzoomen op verdachte schepen en sturen beelden bijna real-time door naar het operatiecentrum aan land. Bij incidenten kunnen ze hun vliegschema snel aanpassen.

Nood aan een nieuw Belgisch kustwachtvliegtuig

De bevindingen van de workshop onderstrepen één duidelijke realiteit: maritiem toezicht wordt technologisch complexer, geopolitiek gevoeliger en operationeel veeleisender. In die context is luchtcapaciteit geen luxe, maar een essentiële schakel binnen het geïntegreerde Europese toezichtsysteem waarin onder meer de European Maritime Safety Agency en Frontex opereren.

Na meer dan 30 jaar succesvol luchttoezicht moet worden vastgesteld dat het Belgische kustwachtvliegtuig een verouderd platform is dat dit jaar 50 jaar oud wordt. Hoewel het toestel jarenlang een betrouwbare partner is geweest in milieubescherming, veiligheid en maritieme handhaving, volstaat het niet langer om de steeds delicatere en technologisch intensievere operaties uit te voeren die vandaag van een kuststaat worden verwacht.

De toename van schaduwvloten, GPS-spoofing, complexe energietransporten en strengere Europese verplichtingen vragen om moderne sensoren, real-time dataverwerking en interoperabiliteit met Europese partners. Vervanging van het huidige toestel is daarom noodzakelijk om de continuïteit van deze opdrachten te waarborgen.

Zonder een nieuw kustwachtvliegtuig dreigt België niet langer over een geschikt platform voor luchttoezicht te beschikken. Dat zou onze capaciteit om te voldoen aan nationale en internationale verplichtingen inzake milieubescherming, crisissituaties, veiligheid en beveiliging in de Noordzee, ernstig onder druk zetten.

Binnen de Kustwacht wordt daarom, onder coördinatie van Defensie en het Instituut voor Natuurwetenschappen, samen met alle betrokken partners intensief gewerkt aan de voorbereiding en realisatie van de vervanging van het toestel, zodat België ook in de toekomst kan blijven beschikken over een moderne, performante en interoperabele luchttoezichtcapaciteit.

© Ben Ullings

Video : Multipurpose Maritime Operation 2025

Van eind mei tot oktober 2025 hebben de Belgische en Franse kustwachten samengewerkt in een Multipurpose Maritime Operation (MMO) in het zuidelijke deel van de Noordzee. De MMO is een grootschalige maritieme operatie die wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor de Veiligheid van de Scheepvaart (EMSA) en het Europees Agentschap voor Visserijcontrole (EFCA), met steun van de EU, die wordt georganiseerd ter ondersteuning van de Europese lidstaten.

In het kader van de MMO 2025 operatie hebben diverse Belgische (Vlaamse en federale) en Franse kustwachtdiensten hun krachten gebundeld en verschillende missies uitgevoerd op het gebied van maritieme veiligheid, pollutiecontrole, milieutoezicht, visserijcontrole en grensbewaking.

Een video over de succesvolle MMO 2025 is nu beschikbaar:

Als partner van de Belgische Kustwacht nam de Wetenschappelijke Dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen deel aan de operatie. Dit vereiste een nauwe samenwerking met verschillende partners, waarbij met name de Belgische Marine, Het Directoraat-generaal Scheepvaart, het Directoraat-generaal Leefmilieu, het Vlaamse Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK), de Franse autoriteiten en EMSA van belang waren.

Gezien de vele uitdagingen waarmee de Kustwacht in het zuidelijk deel van de Noordzee wordt geconfronteerd en het belang van subregionale samenwerking in dit gebied, worden momenteel voorbereidingen getroffen voor een nieuwe, nog uitgebreidere MMO in 2026. Later dit jaar volgt meer informatie over de MMO 2026.

België versterkt zijn rol in het mondiale beleid tegen luchtvervuiling door scheepvaart bij IMO

Van 9 tot 13 februari vertegenwoordigden Marie-Lucie Susini (FOD Mobiliteit en Vervoer, Hoofd van de delegatie), Diederik Wéreau (FOD Mobiliteit en Vervoer) en Jean-Baptiste Merveille (Instituut voor Natuurwetenschappen) België tijdens de 13ᵉ vergadering van het Subcomité voor Preventie en Respons op Vervuiling (PPR13) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in Londen, Verenigd Koninkrijk.

België droeg actief bij aan de discussies over atmosferische emissies door schepen, met bijzondere aandacht voor stikstofoxiden (NOx). Onze delegatie ondersteunde de ontwikkeling van effectieve internationale regelgeving op dit gebied en nam deel aan technische debatten om ervoor te zorgen dat toekomstige normen werkelijke en meetbare emissiereducties opleveren.

Een belangrijke troef van de Belgische bijdrage is evidence-based monitoring: sinds 2020 monitort België de NOx-uitstoot van schepen op zee met het kustwachtvliegtuig, wat waardevolle inzichten oplevert voor de ontwikkeling van internationaal beleid.

De PPR13-sessie legde een constructieve basis voor verder werk en markeert het begin van een meerjarig proces dat minstens twee jaar zal duren.

Tegelijkertijd werd de Belgische studie over zwarte koolstofemissies meerdere keren aangehaald tijdens discussies over het verminderen van de impact van zwarte koolstof in het Arctisch gebied, wat de wereldwijde relevantie van ons onderzoek benadrukt.

België blijft volledig betrokken bij de discussies en bevestigt hiermee zijn inzet voor duurzaamheid, op wetenschap gebaseerd beleid en internationale kennisdeling.

Veelbelovende eerste resultaten voor het herstel van Belgische oesterriffen

Onderzoekers van het Instituut voor Natuurwetenschappen bevestigen de overleving en groei van de jonge Europese platte oesters die in juli 2025 werden uitgezet in het kader van het BELREEFS-project. De opvolging is mogelijk door een slim monitoringprogramma dat toelaat de ontwikkeling van het rif nauwgezet en op lange termijn in kaart te brengen. De eerste resultaten duiden op een veelbelovende start voor het herstel van de platte oesterriffen op zee in België.

Kleisteen bovengehaald in september 2025, met overlevende en gegroeide jonge oesters (Ostrea edulis) en gewone porseleinkrabbetjes (Pisidia longicornis). (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

In juli 2025 werden meer dan 200.000 jonge platte oesters (Ostrea edulis) uitgezet op de bodem van het Belgische deel van de Noordzee, ongeveer 30 km uit de kust op een diepte van 30 m. De oesters werden uitgezaaid op biologisch afbreekbare kleistenen, die werden geïnstalleerd op een zorgvuldig geselecteerde locatie met natuurlijk hard substraat (grind) binnen het Natura 2000-gebied ‘Vlaamse Banken’. De Europese platte oester is een zogenaamde ecosysteem-ingenieur: ze vormt riffen die leefgebieden creëren voor talloze andere soorten en als filtervoeder draagt ​​ze bij aan het helder houden van het water. Door overbevissing en vernietiging van hun leefgebied was deze belangrijke inheemse soort echter vrijwel volledig uit ons land verdwenen.

De grootschalige uitzetting maakte deel uit van BELREEFS, het eerste offshore pilootproject gericht op het herstel van Europese platte oesterriffen in Belgische zeewateren. Het BELREEFS-project, in opdracht van de Belgische Staat (dienst Marien Milieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), bundelt de expertise van Jan De Nul Group, het Instituut voor Natuurwetenschappen (team Mariene Ecologie en Beheer – MARECO), Shells & Valves en Mantis Consulting. De technieken die in het project worden getest zullen toekomstig grootschalig natuurherstel ondersteunen en bijdragen aan de bredere visie van België op het behalen van natuurhersteldoelstellingen, met name binnen Natura 2000-gebieden.

Slimme monitoring

Het BELREEFS-monitoringteam van het Instituut voor Natuurwetenschappen heeft een grondig plan ontwikkeld om de ontwikkeling van het rif te monitoren. Hierin worden de belangrijkste parameters, zoals opgesteld door de Native Oyster Restoration Alliance (NORA), nauwlettend gevolgd en worden tegelijkertijd de protocollen aangepast aan de uitdagende omstandigheden op zee. Deze aanpak stelt BELREEFS in staat om gegevens te genereren die vergelijkbaar zijn tussen Europese herstelinitiatieven. Voor verschillende van deze meetgegevens moeten oesters en het rifsubstraat worden opgevist voor analyse, wat een monitoringaanpak op maat vereist.

Om aan deze monitoringvereisten te voldoen, ontwierp Jan De Nul op maat gemaakte monitoringkooien die langdurige opvolging op een betrouwbare en gestandaardiseerde manier mogelijk maken. Elke kooi bevat een selectie van de ingezaaide kleistenen met daartussen voldoende ruimte voor blootstelling aan de omgeving. De kooien kunnen routinematig worden ingezet en teruggehaald, ofwel dankzij de integratie van een akoestisch releasesysteem, ondersteund door de betrokkenheid van het Instituut voor Natuurwetenschappen binnen het European Marine Biological Resource Centre Belgium (EMBRC Belgium), ofwel door wetenschappelijke duikers.

De eerste BELREEFS-monitoringkooi werd met het schip STREAM bovengehaald in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

Eerste resultaten

Met de hulp van de ​​bemanning van de STREAM werd de eerste monitoringkooi in september 2025 succesvol naar de oppervlakte gebracht, gebruik makend van het akoestische releasesysteem. Ter plaatse bepaalden de onderzoekers de overleving, groei en dichtheid van de oesters en zochten ze met succes naar de vestiging van nieuw oesterzaad. Verder werden zowel de vastzittende als de mobiele aangroeifauna op de kleistenen geïdentificeerd, waarbij ook kleinere en moeilijk herkenbare soorten werden verzameld voor identificatie in het labo.

Alle stalen zijn intussen verwerkt. Naast de bevestiging van de overleving en groei van oesters, onthulden de observaties ook het optreden van actieve ecologische interacties op het rifsubstraat. Er werden tekenen van ruimteconcurrentie en de aanwezigheid van potentiële predatoren opgemerkt, en deze dynamiek zal in de komende jaren verder worden onderzocht tijdens de vervolgmonitoring.

“De eerste monitoring leverde veelbelovende resultaten op. We kijken uit naar het vervolg, en hopen dat de kleine oesters zullen uitgroeien tot een heus oesterrif, precies op de plaats waar grote oesterriffen meer dan 100 jaar geleden voorkwamen. Dat we ook kolonisatie door wild oesterbroed aantroffen maakt ons extra enthousiast. Het is een zeer bemoedigend signaal voor het toekomstig herstel van oesterriffen.” – Thomas Kerkhove – MARECO, Instituut voor Natuurwetenschappen

Het BELREEFS-monitoringprogramma zal de komende jaren worden voortgezet met het bovenhalen van twee extra monitoringkooien. Deze observaties op een langere termijn zullen aanvullend inzicht opleveren over de ontwikkeling van het rif, ecologische interacties en het succes van natuurherstel in dynamische, offshore omstandigheden. Dergelijke informatie zal cruciaal zijn voor toekomstige grootschaligere herstelplannen in het Belgische deel van de Noordzee en zal verder bijdragen aan de kennis die de afgelopen decennia reeds is verzameld over het herstel van Europese platte oesters in heel Europa.

Ophalen van de eerste BELREEFS-monitoringkooi met het schip STREAM in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

 

BELREEFS is een samenwerking tussen Jan De Nul, Instituut voor Natuurwetenschappen, Shells & Valves en Mantis Consulting en wordt uitgevoerd in opdracht van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu als onderdeel van actie T4.8 van het LIFE B4B-project (101069526). 

De oesters werden gekweekt in samenwerking met het Nederlandse Stichting Zeeschelp en Oyster Heaven (Mother Reef). Voor al onze projecten werken we samen met internationale experten van de Native Oyster Restoration Alliance (NORA) en volgen we hun richtlijnen. Zo gaan we aan de slag met de best beschikbare kennis, geavanceerde technologieën en toonaangevende ervaring.