Inzicht in de oceaan-laguneverbinding als basis voor duurzaam garnalenbeheer in Benin

Op 19 februari 2026 verdedigde Sylvain Gozingan met succes zijn proefschrift getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Zijn werk toont aan dat de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune in Benin voornamelijk wordt bepaald door goed gedefinieerde hydrodynamische mechanismen, die een cruciale rol spelen in het transport en de instroom van garnalenlarven in de lagune – een belangrijke bevinding voor het duurzame beheer van de visserijbronnen in Benin.

Sylvain Gozingan van de Universiteit van Abomey-Calavi in ​​Benin verdedigde openbaar zijn proefschrift in fysische oceanografie en numerieke modellering, getiteld “Developing a multi-scale modelling framework for coastal hydrodynamics and larval connectivity in the Gulf of Guinea, West Africa”. Na de verdediging, die plaatsvond op 19 februari 2026 in het Instituut voor Natuurwetenschappen, in aanwezigheid van alle juryleden, ontving Sylvain de hoogste onderscheiding voor zijn proefschrift.

Sylvain Gozingan tijdens de openbare verdediging van zijn proefschrift, samen met de juryleden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/Olivier Gourgue & Tania D’Haijère)

Onderzoek voor duurzaam beheer

Sylvain Gozingan legt uit: “Het onderzoek dat ik in het kader van mijn proefschrift heb uitgevoerd, richt zich op de ontwikkeling en toepassing van gekoppelde driedimensionale modellen, die hydrodynamica en deeltjesvolging combineren, om de mariene circulatie en de connectiviteit van larven in de Golf van Guinee te bestuderen, met een bijzondere focus op het Nokoué-oceaan-kanaal-lagunesysteem in Benin. Dit heeft het mogelijk gemaakt om de hydrodynamische mechanismen te identificeren die de connectiviteit tussen de oceaan en de Nokoué-lagune voor commercieel belangrijke garnalenlarven bepalen.”

Ten eerste tonen de resultaten aan dat de instroom van larven in de lagune niet willekeurig is, maar afhankelijk van welomschreven fysieke omstandigheden. Deze wordt met name bevorderd door specifieke getijdeomstandigheden, het bestaan ​​van getijdevensters en hydrodynamische gunstige periodes, met een bijzonder gunstige periode tijdens het droge seizoen (januari-juni).

Ten tweede laat het onderzoek zien dat het transport van larven grotendeels verklaard kan worden door passieve driftmechanismen. Dit transport wordt gedomineerd door de gecombineerde werking van getijstromen, restcirculatie en door de wind veroorzaakte stromingen, zonder dat er op de bestudeerde schaal complex actief gedrag van de larven hoeft te worden verondersteld.

Studiegebied in de Golf van Guinee (zuidelijk Benin) met de drie geneste domeinen (links) en de bathymetrie van het kleinste domein van het COHERENS oceaan-kanaal-Nokoué-model. De oranje stippen geven de locaties aan waar de rivieren in de lagune uitmonden. (© Instituut voor Natuurwetenschappen/ECOMOD-Sylvain Gozingan)

Tot slot blijkt uit de analyse van de deeltjestrajecten dat de larven die de lagune daadwerkelijk bereiken, voornamelijk afkomstig zijn uit de ondiepe kustzone, met name uit gebieden waar de diepte minder dan of gelijk aan 15 meter is.

“Samenvattend versterken deze resultaten ons begrip van de connectiviteit in het Nokoué-oceaanlagunesysteem en leveren ze waardevolle wetenschappelijke informatie op voor het voorspellen van de verspreiding van larven, een cruciaal element voor het duurzame beheer van visserijbronnen,” concludeert Sylvain.

De resultaten van het proefschrift werden gepresenteerd aan de lokale gemeenschappen tijdens een feedbackworkshops die in 2024 in Benin werd georganiseerd.

Presentatie van de resultaten aan lokale gemeenschappen tijdens de feedbackworkshop in het dorp Ganvié in Benin. (© Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB))

Interdisciplinaire samenwerking met Belgische en Beninese ondersteuning

Sylvain had al een masterdiploma in fysische oceanografie en toepassingen, behaald in 2018 aan de Universiteit van Abomey-Calavi. Zijn scriptie richtte zich op de toepassing van een automatisch algoritme voor het identificeren en volgen van draaikolken op een reeks numerieke potentiële kolkvelden, beschouwd als een dynamische Lagrangiaanse tracer. Sindsdien heeft hij een passie ontwikkeld voor het bestuderen van deeltjes in mariene ecosystemen, met behulp van data-analyse en numerieke modellering.

Sinds februari 2020 werkt Sylvain samen met het Institut de Recherches Halieutiques et Océanologiques du Bénin (IRHOB) en het ECOMOD-team van het Instituut voor Natuurwetenschappen. Deze samenwerking vond plaats in het kader van het project Shrimp-I (Toepassing van het COHERENS-model voor een beter beheer van garnalenbestanden in Benin) en het project Shrimp-II (Toepassing van het COHERENS-model voor de levenscyclusanalyse van garnalen en oesters om hun bestanden in de Beninese wateren beter te beheren). Deze projecten werden gefinancierd door het directoraat-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp (DGD) in het kader van het CEBioS-programma (Capacities for Biodiversity and Sustainable Development).

Van geopolitieke uitdagingen tot capaciteit opbouwen voor kustwachtoperaties

Op 11 en 12 februari 2026 organiseerde het European Maritime Safety Agency (EMSA) de eerste thematische workshop van het European Coast Guard Functions Forum (ECGFF)-programma voor 2026 in haar vestiging in Lissabon. België nam deel met vertegenwoordigers van DG Scheepvaart (Stefanie Monsaert), het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (Yves Maekelberg), de Kustwacht (Eefje Deweer) en de wetenschappelijke dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen (Kobe Scheldeman).

Multifunctioneel en complementair toezicht

Een modern en effectief kustwachttoezicht vereist een multifunctionele aanpak, waarbij verschillende middelen – zoals satellieten, drones (onderwater en in de lucht), vliegtuigen, schepen en grondsystemen – complementair worden ingezet. Geen enkel instrument is op zichzelf voldoende om de complexe maritieme uitdagingen van vandaag aan te pakken.

Door samenwerking tussen agentschappen en lidstaten en het combineren van technologieën wordt een robuust, real-time beeld van de zee geboden. Dit maakt het mogelijk om zowel veiligheid, milieu, visserij en handhaving efficiënt te coördineren

Geopolitieke evoluties en operationele impact

De deelnemers bogen zich over de snel veranderende geopolitieke context en de gevolgen daarvan voor de dagelijkse maritieme operaties. Opvallend is de recente toename van vals gevlagde schepen en de activiteiten van de zogenaamde schaduwvloot: oudere, slecht onderhouden schepen waarbij authenticiteit van vlag en verzekeringsdocumenten moeilijk te verifiëren zijn vormen een groter risico voor incidenten.

Door expertise te bundelen en operationele informatie te delen onder de lidstaten en daarbovenop te verrijken met aanvullende data, worden stappen gezet om deze schepen beter in kaart te brengen. Veel van deze schepen lopen nooit een haven binnen en blijven op zee opereren via ship‑to‑ship‑overslag, met alle risico’s van dien. Het principe van vrije doorvaart blijft essentieel, maar bemoeilijkt de handhaving.

EU-agentschappen versterken hun ondersteuning

EMSA gaf een update over haar diensten, met bijzondere aandacht voor de verdere uitbouw van de Remotely Operated Vehicle (ROV)-capaciteit. Deze systemen kunnen tot 3000 meter diep opereren en worden ingezet voor onderzoek en acties zoals het in kaart brengen van kabels, ankers en wrakstukken. België maakte de voorbije twee jaar al gebruik van deze diensten.

Het European Fisheries Control Agency (EFCA) presenteerde een tijdslijn voor nieuwe regelgeving en technologische tools zoals hydrofoons (via geluidsdetectie in kaart brengen van illegale visserij), DNA-kits (identificatie van vissoorten), satellietbeelden, Remote Electronic Monitoring (REM), drones (UAV’s) en artificiële intelligentie. Deze tools werden oorspronkelijk niet gemaakt met visserijcontrole als doeleinde, de nodige aanpassingen om hun inzet te optimaliseren worden nu doorgevoerd.

FRONTEX lichtte de mogelijkheden toe om hun vliegtuigen in te zetten voor diverse kustwachtfuncties. Deze toestellen leveren maritieme situationele beeldvorming, ze kunnen inzoomen op verdachte schepen en sturen beelden bijna real-time door naar het operatiecentrum aan land. Bij incidenten kunnen ze hun vliegschema snel aanpassen.

Nood aan een nieuw Belgisch kustwachtvliegtuig

De bevindingen van de workshop onderstrepen één duidelijke realiteit: maritiem toezicht wordt technologisch complexer, geopolitiek gevoeliger en operationeel veeleisender. In die context is luchtcapaciteit geen luxe, maar een essentiële schakel binnen het geïntegreerde Europese toezichtsysteem waarin onder meer de European Maritime Safety Agency en Frontex opereren.

Na meer dan 30 jaar succesvol luchttoezicht moet worden vastgesteld dat het Belgische kustwachtvliegtuig een verouderd platform is dat dit jaar 50 jaar oud wordt. Hoewel het toestel jarenlang een betrouwbare partner is geweest in milieubescherming, veiligheid en maritieme handhaving, volstaat het niet langer om de steeds delicatere en technologisch intensievere operaties uit te voeren die vandaag van een kuststaat worden verwacht.

De toename van schaduwvloten, GPS-spoofing, complexe energietransporten en strengere Europese verplichtingen vragen om moderne sensoren, real-time dataverwerking en interoperabiliteit met Europese partners. Vervanging van het huidige toestel is daarom noodzakelijk om de continuïteit van deze opdrachten te waarborgen.

Zonder een nieuw kustwachtvliegtuig dreigt België niet langer over een geschikt platform voor luchttoezicht te beschikken. Dat zou onze capaciteit om te voldoen aan nationale en internationale verplichtingen inzake milieubescherming, crisissituaties, veiligheid en beveiliging in de Noordzee, ernstig onder druk zetten.

Binnen de Kustwacht wordt daarom, onder coördinatie van Defensie en het Instituut voor Natuurwetenschappen, samen met alle betrokken partners intensief gewerkt aan de voorbereiding en realisatie van de vervanging van het toestel, zodat België ook in de toekomst kan blijven beschikken over een moderne, performante en interoperabele luchttoezichtcapaciteit.

© Ben Ullings

Video : Multipurpose Maritime Operation 2025

Van eind mei tot oktober 2025 hebben de Belgische en Franse kustwachten samengewerkt in een Multipurpose Maritime Operation (MMO) in het zuidelijke deel van de Noordzee. De MMO is een grootschalige maritieme operatie die wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor de Veiligheid van de Scheepvaart (EMSA) en het Europees Agentschap voor Visserijcontrole (EFCA), met steun van de EU, die wordt georganiseerd ter ondersteuning van de Europese lidstaten.

In het kader van de MMO 2025 operatie hebben diverse Belgische (Vlaamse en federale) en Franse kustwachtdiensten hun krachten gebundeld en verschillende missies uitgevoerd op het gebied van maritieme veiligheid, pollutiecontrole, milieutoezicht, visserijcontrole en grensbewaking.

Een video over de succesvolle MMO 2025 is nu beschikbaar:

Als partner van de Belgische Kustwacht nam de Wetenschappelijke Dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)’ van het Instituut voor Natuurwetenschappen deel aan de operatie. Dit vereiste een nauwe samenwerking met verschillende partners, waarbij met name de Belgische Marine, Het Directoraat-generaal Scheepvaart, het Directoraat-generaal Leefmilieu, het Vlaamse Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK), de Franse autoriteiten en EMSA van belang waren.

Gezien de vele uitdagingen waarmee de Kustwacht in het zuidelijk deel van de Noordzee wordt geconfronteerd en het belang van subregionale samenwerking in dit gebied, worden momenteel voorbereidingen getroffen voor een nieuwe, nog uitgebreidere MMO in 2026. Later dit jaar volgt meer informatie over de MMO 2026.

België versterkt zijn rol in het mondiale beleid tegen luchtvervuiling door scheepvaart bij IMO

Van 9 tot 13 februari vertegenwoordigden Marie-Lucie Susini (FOD Mobiliteit en Vervoer, Hoofd van de delegatie), Diederik Wéreau (FOD Mobiliteit en Vervoer) en Jean-Baptiste Merveille (Instituut voor Natuurwetenschappen) België tijdens de 13ᵉ vergadering van het Subcomité voor Preventie en Respons op Vervuiling (PPR13) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in Londen, Verenigd Koninkrijk.

België droeg actief bij aan de discussies over atmosferische emissies door schepen, met bijzondere aandacht voor stikstofoxiden (NOx). Onze delegatie ondersteunde de ontwikkeling van effectieve internationale regelgeving op dit gebied en nam deel aan technische debatten om ervoor te zorgen dat toekomstige normen werkelijke en meetbare emissiereducties opleveren.

Een belangrijke troef van de Belgische bijdrage is evidence-based monitoring: sinds 2020 monitort België de NOx-uitstoot van schepen op zee met het kustwachtvliegtuig, wat waardevolle inzichten oplevert voor de ontwikkeling van internationaal beleid.

De PPR13-sessie legde een constructieve basis voor verder werk en markeert het begin van een meerjarig proces dat minstens twee jaar zal duren.

Tegelijkertijd werd de Belgische studie over zwarte koolstofemissies meerdere keren aangehaald tijdens discussies over het verminderen van de impact van zwarte koolstof in het Arctisch gebied, wat de wereldwijde relevantie van ons onderzoek benadrukt.

België blijft volledig betrokken bij de discussies en bevestigt hiermee zijn inzet voor duurzaamheid, op wetenschap gebaseerd beleid en internationale kennisdeling.

Veelbelovende eerste resultaten voor het herstel van Belgische oesterriffen

Onderzoekers van het Instituut voor Natuurwetenschappen bevestigen de overleving en groei van de jonge Europese platte oesters die in juli 2025 werden uitgezet in het kader van het BELREEFS-project. De opvolging is mogelijk door een slim monitoringprogramma dat toelaat de ontwikkeling van het rif nauwgezet en op lange termijn in kaart te brengen. De eerste resultaten duiden op een veelbelovende start voor het herstel van de platte oesterriffen op zee in België.

Kleisteen bovengehaald in september 2025, met overlevende en gegroeide jonge oesters (Ostrea edulis) en gewone porseleinkrabbetjes (Pisidia longicornis). (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

In juli 2025 werden meer dan 200.000 jonge platte oesters (Ostrea edulis) uitgezet op de bodem van het Belgische deel van de Noordzee, ongeveer 30 km uit de kust op een diepte van 30 m. De oesters werden uitgezaaid op biologisch afbreekbare kleistenen, die werden geïnstalleerd op een zorgvuldig geselecteerde locatie met natuurlijk hard substraat (grind) binnen het Natura 2000-gebied ‘Vlaamse Banken’. De Europese platte oester is een zogenaamde ecosysteem-ingenieur: ze vormt riffen die leefgebieden creëren voor talloze andere soorten en als filtervoeder draagt ​​ze bij aan het helder houden van het water. Door overbevissing en vernietiging van hun leefgebied was deze belangrijke inheemse soort echter vrijwel volledig uit ons land verdwenen.

De grootschalige uitzetting maakte deel uit van BELREEFS, het eerste offshore pilootproject gericht op het herstel van Europese platte oesterriffen in Belgische zeewateren. Het BELREEFS-project, in opdracht van de Belgische Staat (dienst Marien Milieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), bundelt de expertise van Jan De Nul Group, het Instituut voor Natuurwetenschappen (team Mariene Ecologie en Beheer – MARECO), Shells & Valves en Mantis Consulting. De technieken die in het project worden getest zullen toekomstig grootschalig natuurherstel ondersteunen en bijdragen aan de bredere visie van België op het behalen van natuurhersteldoelstellingen, met name binnen Natura 2000-gebieden.

Slimme monitoring

Het BELREEFS-monitoringteam van het Instituut voor Natuurwetenschappen heeft een grondig plan ontwikkeld om de ontwikkeling van het rif te monitoren. Hierin worden de belangrijkste parameters, zoals opgesteld door de Native Oyster Restoration Alliance (NORA), nauwlettend gevolgd en worden tegelijkertijd de protocollen aangepast aan de uitdagende omstandigheden op zee. Deze aanpak stelt BELREEFS in staat om gegevens te genereren die vergelijkbaar zijn tussen Europese herstelinitiatieven. Voor verschillende van deze meetgegevens moeten oesters en het rifsubstraat worden opgevist voor analyse, wat een monitoringaanpak op maat vereist.

Om aan deze monitoringvereisten te voldoen, ontwierp Jan De Nul op maat gemaakte monitoringkooien die langdurige opvolging op een betrouwbare en gestandaardiseerde manier mogelijk maken. Elke kooi bevat een selectie van de ingezaaide kleistenen met daartussen voldoende ruimte voor blootstelling aan de omgeving. De kooien kunnen routinematig worden ingezet en teruggehaald, ofwel dankzij de integratie van een akoestisch releasesysteem, ondersteund door de betrokkenheid van het Instituut voor Natuurwetenschappen binnen het European Marine Biological Resource Centre Belgium (EMBRC Belgium), ofwel door wetenschappelijke duikers.

De eerste BELREEFS-monitoringkooi werd met het schip STREAM bovengehaald in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

Eerste resultaten

Met de hulp van de ​​bemanning van de STREAM werd de eerste monitoringkooi in september 2025 succesvol naar de oppervlakte gebracht, gebruik makend van het akoestische releasesysteem. Ter plaatse bepaalden de onderzoekers de overleving, groei en dichtheid van de oesters en zochten ze met succes naar de vestiging van nieuw oesterzaad. Verder werden zowel de vastzittende als de mobiele aangroeifauna op de kleistenen geïdentificeerd, waarbij ook kleinere en moeilijk herkenbare soorten werden verzameld voor identificatie in het labo.

Alle stalen zijn intussen verwerkt. Naast de bevestiging van de overleving en groei van oesters, onthulden de observaties ook het optreden van actieve ecologische interacties op het rifsubstraat. Er werden tekenen van ruimteconcurrentie en de aanwezigheid van potentiële predatoren opgemerkt, en deze dynamiek zal in de komende jaren verder worden onderzocht tijdens de vervolgmonitoring.

“De eerste monitoring leverde veelbelovende resultaten op. We kijken uit naar het vervolg, en hopen dat de kleine oesters zullen uitgroeien tot een heus oesterrif, precies op de plaats waar grote oesterriffen meer dan 100 jaar geleden voorkwamen. Dat we ook kolonisatie door wild oesterbroed aantroffen maakt ons extra enthousiast. Het is een zeer bemoedigend signaal voor het toekomstig herstel van oesterriffen.” – Thomas Kerkhove – MARECO, Instituut voor Natuurwetenschappen

Het BELREEFS-monitoringprogramma zal de komende jaren worden voortgezet met het bovenhalen van twee extra monitoringkooien. Deze observaties op een langere termijn zullen aanvullend inzicht opleveren over de ontwikkeling van het rif, ecologische interacties en het succes van natuurherstel in dynamische, offshore omstandigheden. Dergelijke informatie zal cruciaal zijn voor toekomstige grootschaligere herstelplannen in het Belgische deel van de Noordzee en zal verder bijdragen aan de kennis die de afgelopen decennia reeds is verzameld over het herstel van Europese platte oesters in heel Europa.

Ophalen van de eerste BELREEFS-monitoringkooi met het schip STREAM in september 2025. (© Instituut voor Natuurwetenschappen / MARECO)

 

BELREEFS is een samenwerking tussen Jan De Nul, Instituut voor Natuurwetenschappen, Shells & Valves en Mantis Consulting en wordt uitgevoerd in opdracht van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu als onderdeel van actie T4.8 van het LIFE B4B-project (101069526). 

De oesters werden gekweekt in samenwerking met het Nederlandse Stichting Zeeschelp en Oyster Heaven (Mother Reef). Voor al onze projecten werken we samen met internationale experten van de Native Oyster Restoration Alliance (NORA) en volgen we hun richtlijnen. Zo gaan we aan de slag met de best beschikbare kennis, geavanceerde technologieën en toonaangevende ervaring.

Zwarte-koolstofuitstoot door schepen in kaart gebracht

De uitstoot van zwarte koolstof door schepen in de zuidelijke Noordzee werd in kaart gebracht met de sniffersensor van het Belgische kustwachtvliegtuig. De voorlopige resultaten laten zien dat deze uitstoot hoger is dan eerder werd aangenomen en bieden wetenschappelijke onderbouwing voor de ontwikkeling van internationale regelgeving en duurzaam scheepvaartbeleid.

Het kustwachtvliegtuig tijdens een sniffermissie boven het Belgische deel van de Noordzee © NL Coast Guard

Het Belgische kustwachtvliegtuig is sinds 2015 uitgerust met een sniffersensor waarmee het de concentratie van verontreinigende stoffen in de uitstoot van schepen op zee kan meten. Aanvankelijk werd het systeem in het vliegtuig geïntegreerd om de uitstoot van zwaveloxiden (SOx) op te volgen en te onderzoeken, maar door de jaren heen werd het uitgebreid met de capaciteit om andere verontreinigende stoffen te detecteren. Zo worden sinds 2020 ook stikstofoxiden (NOx) gemeten en kwam in 2021 ook zwarte koolstof op de radar van het luchttoezicht te staan.

In juni 2025 publiceerde het luchttoezichtteam (SURV) een wetenschappelijk artikel in Atmosphere waarin de uitstoot van zwarte koolstof door scheepsverkeer in de zuidelijke Noordzee en het Engels Kanaal werd beschreven op basis van 886 metingen uit de periode 2021-2024. Het gaat om het eerste wetenschappelijke onderzoek van deze omvang waarin werkelijke metingen van zwarte koolstof door schepen worden samengebracht en geanalyseerd. De metingen werden gerealiseerd in de maritieme gebieden van België, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Wat is ‘zwarte koolstof’?

Zwarte koolstof, veelal aangeduid onder de Engelste term ‘black carbon’ en in het Nederlands ook vaak ‘roet’ genoemd, is een categorie van koolstofhoudende fijne deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer (1 micrometer of 1 µm is gelijk aan een duizendste van een millimeter). Het is voornamelijk afkomstig van de onvolledige verbranding van koolstofhoudende brandstoffen zoals fossiele brandstoffen (zoals diesel en steenkool) maar ook biomassa (hout) en biobrandstoffen.

Als fijn deeltje heeft zwarte koolstof een impact op de gezondheid van de bevolking die eraan wordt blootgesteld. Hoewel de juiste klimaatimpact van zwarte koolstof nog onderwerp van debat blijft en het niet als broeikasgas is geklasseerd, staat vast dat het wel aanzienlijk bijdraagt aan de klimaatverandering. Dat komt onder meer door zijn vermogen om zonnestraling te absorberen wanneer het op poolijs neerslaat en het zo donkerder maakt.

Ruimtelijke verdeling van de metingen van black carbon-emissies, met kleurcodering van de gemeten niveaus (in g black carbon/kWh)

Interpretatie van de resultaten

Het langlopende onderzoek leidde tot een aantal conclusies die in de toekomst met aanvullende gegevens zullen worden verfijnd. De belangrijkste conclusie is dat luchtmetingen van de uitstoot van zwarte koolstof door schepen op zee effectief mogelijk zijn, en dat dankzij het bijhorende observatieprotocol waardevolle informatie over de werkelijke  omvang van deze uitstoot wordt verkregen. Tot op heden werd zo’n informatie afgeleid uit metingen die onder gecontroleerde en gesimuleerde omstandigheden gebeurden en niet op zee, onder reële omstandigheden.

Uit de gegevens kan ook worden afgeleid dat de uitstoot van zwarte koolstof door schepen mogelijk is onderschat.Ook blijkt dat ECA-conforme brandstoffen (brandstoffen met een laag zwavelgehalte die zijn toegestaan in de “emissiecontrolezone” waartoe de Noordzee behoort) bijdragen aan een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van zwarte koolstof. Bijkomend blijkt ook dat de motorbelasting een bepalende factor is voor de uitstoot van zwarte koolstof.

Wetenschap voor toenemende duurzaamheid

De uitstoot van zwarte koolstof door de scheepvaart is nog niet gereguleerd, hoewel er sinds 2011 discussies aan de gang zijn om de beste manieren te vinden om deze uitstoot en de impact ervan te beperken. Deze discussies vinden onder meer plaats binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), een gespecialiseerd agentschap van de Verenigde Naties dat verantwoordelijk is voor het opstellen van internationale regels met betrekking tot de veiligheid en beveiliging van het maritieme vervoer, maar ook in verband met het voorkomen van mariene en atmosferische verontreiniging door schepen.

Als basis voor dergelijke besprekingen heeft de IMO natuurlijk stevig onderbouwde wetenschappelijke gegevens nodig, en het is hier dat de nieuwe Belgische inzichten een mooie rol kunnen vervullen. België, dat in de IMO vertegenwoordigd wordt door het Directoraat-Generaal Scheepvaart (Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer), heeft het onderzoek van het Instituut voor Natuurwetenschappen hier op 21 november 2025 onder de aandacht gebracht van de internationale maritieme gemeenschap. Op deze manier wil België het bewustzijn rond de problematiek van zwarte koolstof vergroten, en concrete elementen aanleveren om de ontwikkeling van een doeltreffende regelgeving rond de uitstoot van zwarte koolstof door de scheepvaart te ondersteunen.

België werd bovendien op 26 november 2025 in Londen verkozen tot lid van de IMO-Raad, mede dankzij de voortdurende inspanningen van DG Scheepvaart. De verkiezing, het formaliseren en overhandigen van de Belgische wetenschappelijke inzichten aan de IMO toont aan hoe belangrijk ons land internationale wetenschappelijke en politieke samenwerking vindt, en hoezeer het de transitie naar een duurzame en minder belastende scheepvaartsector ondersteunt.

Het kustwachtvliegtuig is eigendom van het Instituut voor Natuurwetenschappen en wordt gevlogen door piloten van Defensie. De wetenschappelijke dienst Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) van het Instituut voor Natuurwetenschappen is verantwoordelijk voor de uitvoering van het nationale programma voor luchttoezicht boven de Noordzee, en levert de wetenschappelijke operatoren van het vliegtuig.

Online geluidsarchief centraliseert Belgische vleermuisgeluiden

Onderzoekers en natuurliefhebbers kunnen voortaan bijna twee miljoen Belgische vleermuisopnames beluisteren via het Digital Animal Sound Archive. Het platform biedt centrale toegang tot dit uitgebreide geluidsmateriaal, ondersteunt wetenschappelijk onderzoek en stimuleert het gebruik ervan bij analyses van milieueffecten en beleidsontwikkeling.

Laatvlieger (Cnephaeus serotinus) © Instituut voor Natuurwetenschappen/MARECO (Yves Laurent)

Net zoals veel andere diersoorten (waaronder walvissen, insecten, vogels,…) produceren vleermuizen geluid, onder meer om prooien te lokaliseren of zich te oriënteren. Het gaat daarbij om hoogfrequente ultrasone geluiden die voor de mens vaak niet of moeilijk hoorbaar zijn, maar die wel kunnen worden geregistreerd. Dergelijke opnames hebben een groot potentieel belang voor onderzoek naar de verspreiding en het gedrag van de verschillende soorten, en voor het inschatten van de impact van menselijke activiteiten. Dit zowel ter land als ter zee, want ook op zee worden vleermuizen waargenomen.

Tot nu toe werden de beschikbare Belgische geluidsbestanden van vleermuizen enkel bewaard in de moeilijk bereikbare archieven van individuele personen of organisaties. Daar liepen ze het risico op korte termijn te verdwijnen, bijvoorbeeld omdat ze na de analyse ervan verwijderd worden. Het Digital Animal Sound Archive (DASA) brengt de opnames nu samen in één gestandaardiseerd, veilig en doorzoekbaar systeem.

Een bat detector (vleermuisdetector) registreert geluiden van vleermuizen in een Belgisch offshore windpark © Instituut voor Natuurwetenschappen/MARECO

Ook dankzij en voor burgerwetenschappers

DASA is meer dan een passief geluidsarchief van professionele wetenschappers. Na de aanmaak van een account kan iedere geïnteresseerde, zowel professionelen als vrijwilligers, er geluidsopnames downloaden en beluisteren. Bovendien kan elke aangeslotene ook opnames in DASA opladen. Zo kunnen burgerwetenschappers hun eigen opnames veiligstellen voor de toekomst, en zo de collectie aanvullen en de mogelijkheden ervan voor wetenschappelijke en beleidsondersteunende toepassingen vergroten. Tot op heden werd 24% van de waarnemingen door burgerwetenschappers verzameld, een aandeel dat in de toekomst ongetwijfeld nog zal stijgen.

Verder kan iedereen ook bijdragen aan het toewijzen van de opnames aan één of meerdere vermoedelijke soorten, of een alternatieve soortoptie toekennen aan een bestaande identificatie. Herkennen op welke soort een opname betrekking heeft is in het geval van vleermuizen immers niet altijd eenvoudig, en vereist een doorgedreven kennis van de materie. Er worden dan ook gericht vleermuisspecialisten ingeschakeld om waarnemingen te valideren, wat betekent dat ze met hoge zekerheid worden toegekend aan de juiste soort.

Een schat aan informatie

“DASA bundelt momenteel bijna twee miljoen vleermuisdetecties door professionele en burgerwetenschappers. Het is een unieke databank die de toepassingsmogelijkheden van waarnemingen en geluidsopnames voor het Belgisch natuuronderzoek toekomstbestendig maakt,” zegt projectcoördinator Robin Brabant van het Instituut voor Natuurwetenschappen.

Ongeveer de helft van deze vleermuiswaarnemingen is gekoppeld aan geluidsbestanden. Ook de overige waarnemingen zijn echter zeer waardevol omdat de verspreiding en trends van de verschillende soorten eruit kunnen worden afgeleid.

Sonogram van de benaderings- en vangstfase van prooien door de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) © Instituut voor Natuurwetenschappen

Bob Vandendriessche, voorzitter van de Vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt, staat verder stil bij de meerwaarde van een toegewijd platform als DASA: “Bestaande platforms zoals waarnemingen.be zijn niet opgezet om dergelijke massieve datasets te ontvangen en ontsluiten. Het aantal personen dat op grote schaal akoestische data verzamelt mag dan wel eerder klein zijn, het datavolume is al snel erg groot. Ook de omvang en het belang van de begeleidende metadata is veel groter dan bij andere biologische data, zodat een afzonderlijk platform wenselijk was”.

DASA is het eerste Belgische platform dat bio-akoestische gegevens volgens internationale standaarden structureert en koppelt aan internationale biodiversiteitsplatformen zoals het Global Biodiversity Information Facility (GBIF). De infrastructuur kan bovendien opgeschaald worden. Naast geluidsopnames van vleermuizen zullen later ook opnames van andere diergroepen, zoals zeezoogdieren of insecten, kunnen worden toegevoegd. De focus blijft evenwel liggen op Belgische gegevens.

 

Het Digital Animal Sound Archive (DASA) project is een samenwerking tussen het Instituut voor Natuurwetenschappen, Natuurpunt en Natagora. Het platform werd ontwikkeld met financiering van het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO).

Alle gegevens voldoen aan de FAIR-principes (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable) en de Europese Open Data-richtlijn, waardoor ze wereldwijd bruikbaar zijn voor wetenschap, beleid en educatie.

10 jaar EMBRC België: Motor voor innovatie in marien onderzoek

Op 9 december werd in het Instituut voor Natuurwetenschappen het tienjarig bestaan van het Belgische luik van het European Marine Biological Resource Centre in de kijker gezet. Het initiatief heeft de voorbije tien jaar de toegang tot hoogwaardige onderzoekinfrastructuur, expertise en internationale samenwerkingen aanzienlijk versterkt. De jubileumdag vormde het ideale moment om deze impact te vieren en om de koers voor de komende jaren scherp te stellen, met nadruk op samenwerking, duurzaamheid en wetenschappelijke vernieuwing.

Juni 2024: Oesterzaadcollectoren worden uitgezet in de Artificial Hard Substrate Garden, een mariene experimentele faciliteit die als dienst van EMBRC België aan de wetenschappelijke gemeenschap en de industrie ter beschikking wordt gesteld. (© Instituut voor Natuurwetenschappen)

De Belgische afdeling van het European Marine Biological Resource Centre (EMBRC-BE) blikte op dinsdag 9 december 2025 terug op tien jaar werking. EMBRC-BE maakt deel uit van het pan-Europese onderzoeksnetwerk EMBRC-ERIC (European Research Infrastructure Consortium), dat is gericht op het vergroten van onze kennis van de biodiversiteit en het functioneren van Europese kustzeeën. EMBRC-ERIC ondersteunt en stroomlijnt marien onderzoek in heel Europa door onderzoekers toegang te geven tot hoogwaardig uitgeruste laboratoria in mariene stations en onderzoeksinstellingen.

Het mariene milieu beslaat 71 % van de oppervlakte van onze planeet, en is van groot belang voor al het leven op aarde en een brede waaier aan menselijke activiteiten. Zeeën en oceanen produceren ongeveer de helft van alle zuurstof die we inademen. Ze slaan grote hoeveelheden CO2 op en bufferen zo de gevolgen van klimaatverandering. Tegelijk vormen ze een bron van voedsel, energie en werkgelegenheid voor miljoenen mensen wereldwijd.

‘‘Het mariene milieu wordt bovendien ook in toenemende mate gebruikt als locatie voor de productie van hernieuwbare energie of om aan aquacultuur te doen. Het is dan ook erg belangrijk om goed te begrijpen hoe het mariene ecosysteem werkt en hoe we duurzaam gebruik kunnen maken van mariene hulpbronnen”, verduidelijkt Jan Vanaverbeke van het Instituut voor Natuurwetenschappen en de Universiteit Gent, die was betrokken bij de opstart van EMBRC-BE.

Marien onderzoek blijft een uitdaging

Het mariene ecosysteem onderzoeken is echter geen eenvoudige opdracht. Toegang tot de zee is niet altijd vanzelfsprekend, en de gespecialiseerde instrumenten die nodig zijn, zijn vaak kostbaar en voor veel onderzoeksgroepen moeilijk beschikbaar. EMBRC België helpt deze drempels weg te nemen. Het consortium bundelt de krachten van Belgische mariene onderzoeksinstellingen en maakt hoogwaardige infrastructuur en expertise toegankelijk voor iedereen die onderzoek wil doen op of met mariene organismen.

“Op die manier wordt excellente wetenschap niet gehinderd door praktische beslommeringen, en wordt mogelijks baanbrekend onderzoek niet belemmerd door lokale beperkende omstandigheden” zegt Europees EMBRC directeur Nicolas Pade, die voor het tienjarig bestaan van de Belgische tak is afgezakt naar de viering in het Instituut voor Natuurwetenschappen.

© EMBRC-BE, UGent

EMBRC België zet koers uit voor de toekomst

Sinds 2025 staat Marleen De Troch (Universiteit Gent) als nieuwe directeur aan het roer van het Belgische knooppunt. De ambities voor de komende jaren zijn duidelijk: verder inzetten op samenwerking tussen onderzoeksgroepen, het ondersteunen van jonge onderzoekers, en het versterken van de brug tussen wetenschap, beleid en de blauwe economie.

Marleen De Troch: “Deze financiering maakt een wezenlijk verschil. We ondersteunen belangrijke Belgische innovatiedomeinen in de blauwe economie, ecologie en natuurbehoud, zoals de ontwikkeling van drijvende zonnepanelen, duurzame aquacultuur en herstel van oesterriffen. De wetenschappelijke dienstverlening van EMBRC-BE leidde in de voorbije tien jaren ook tot meer dan 300 wetenschappelijke publicaties.”

De steeds uitbreidende expertise en het daaruit volgende internationale aanzien van de Belgische mariene wetenschappelijke gemeenschap leidde er ook toe dat Belgische onderzoekers konden deelnemen aan 40 Europese onderzoeksprojecten. Op die manier stroomt heel wat financiering terug naar onze onderzoeksinstellingen.

“Ons doel blijft hetzelfde: drempels verlagen, samenwerking stimuleren en marien onderzoek in België versterken. We willen de volgende tien jaar bovendien nog meer inzetten op innovatie, kennisdeling en duurzaamheid,” besluit De Troch.

EMBRC-België is een samenwerking tussen verschillende onderzoeksgroepen van UGent, het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ), UHasselt, KULeuven en het Instituut voor Natuurwetenschappen en wordt gefinancierd via Vlaamse en federale onderzoekfondsen. Binnen deze EMBRC-samenwerking versterkt het Instituut voor Natuurwetenschappen het consortium met zijn monitoringactiviteiten en gespecialiseerd onderzoek rond artificiële riffen.

EMB Future Science Brief over monitoring, rapportage en verificatie van het verwijderen van koolstofdioxide uit de zee

Een groep internationaal gerenommeerde mariene wetenschappers onder de European Marine Board heeft de Future Science Brief gepubliceerd over ‘Monitoring, Reporting and Verification for marine Carbon Dioxide Removal’. Het rapport is duidelijk: snelle vermindering van de CO-uitstoot heeft absolute topprioriteit. Carbon Dioxide Removal is geen vervanging voor reductie van emissies; (mariene) CDR kan enkel worden beschouwd als een mogelijke aanvullende maatregel om de realisatie van netto-nuluitstoot te ondersteunen. Het rapport verduidelijkt de huidige wetenschappelijke, technische en regelgevende uitdagingen die moeten worden aangepakt om geschikte en betrouwbare MRV te ontwikkelen voor eventuele toekomstige mCDR-activiteiten, ter bescherming van de gezondheid van de oceaan en iedereen die ervan afhankelijk is. Volgens het State of Carbon Dioxide Removal-rapport dragen mariene CDR-methodes momenteel minder dan 0,1% bij aan de wereldwijde CO-verwijderingsinspanningen, maar dit onderzoeksveld groeit razendsnel. De potentiële effecten op het mariene milieu zijn nog niet duidelijk, maar kunnen aanzienlijk zijn.

Schematisch overzicht van methoden voor verwijdering van koolstofdioxide uit zee (mCDR) die zijn opgenomen in deze Future Science Brief. (© Rita Erven, GEOMAR, CC BY 4.0)

Methoden voor Carbon Dioxide Removal (CDR), inclusief die gericht op mariene omgevingen, worden momenteel onderzocht en getest in pilootprojecten. Ze worden gezien als een manier om resterende emissies aan te pakken en historisch koolstofoverschot uit de atmosfeer te verwijderen zodra de uitstoot van broeikasgassen is teruggedrongen, en om zo de klimaatdoelstellingen van het Akkoord van Parijs te behalen.

Monitoring, reporting and verification (MRV) is een gestructureerd proces om gegevens over mCDR-activiteiten te verzamelen, openbaar te maken en onafhankelijk te verifiëren. Dit proces omvat het kwantificeren van CO₂-verwijdering, duurzaamheid, onzekerheden en milieu-impacten. Vooruitkijkend zijn wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen nodig om robuuste, transparante en wetenschappelijke MRV-kaders voor mCDR te ontwikkelen.

De internationale werkgroep van dertien onderzoekers heeft haar bevindingen en duidelijke aanbevelingen gepresenteerd over Monitoring, Verification and Reporting voor mCDR-activiteiten. Onder leiding van dr. Helene Muri, Senior Researcher bij NILU en de Noorse Universiteit voor Wetenschap en Technologie (NTNU), Noorwegen, en dr. Olivier Sulpis van CEREGE – Aix-Marseille University, CNRS, IRD, Frankrijk, stelde het team het rapport op, dat op 17 november 2025 door de EMB werd gelanceerd tijdens een webinar.

Het document benadrukt onder andere de kennishiaten in onderzoek die grote uitdagingen vormen voor de praktische implementatie en efficiëntie van mCDR-methoden in de oceaan. Daarbij gaat het onder meer om onzekerheden over de processen en effecten, en over de duur waarin koolstof in de oceaan kan worden opgeslagen.

“Geen enkele mCDR-methode beschikt momenteel over een voldoende robuust en volledig MRV-systeem,” zegt Helene Muri. “Dit betekent dat een efficiënte en veilige toepassing van mCDR-methoden op dit moment niet kan worden gegarandeerd.”

Studie naar het effect van Ocean Alkalinity Enhancement op een planktongemeenschap in de Noordzee, Helgoland, Duitsland. (© Michael Sswat, GEOMAR)

De basis leggen voor verantwoordelijke ontwikkeling

De werkgroep benadrukt dat investeren in wetenschap en innovatie, zoals oceaanobservaties, modelleringsmethoden en infrastructuur, kan bijdragen aan de vooruitgang van het MRV-veld. “Als we het gebruik van mCDR zouden willen overwegen, moeten we nu investeren in kennisontwikkeling voor MRV,” zegt Helene Muri. “Dat maakt de ontwikkeling van doelgerichte MRV-kaders mogelijk zodra of wanneer we grootschalige mCDR-toepassing bereiken.”

De onderzoekers pleiten ook voor de ontwikkeling van robuust bestuur ter ondersteuning van MRV voor mCDR. Helene Muri: “We hebben momenteel geen specifieke bestuurskaders voor MRV van mCDR.” Er is behoefte aan een omvattend regelgevend kader voor MRV dat de fragmentatie, inconsistenties en het gebrek aan mondiaal bestuur van bestaande MRV-systemen kan overwinnen.

Ontdek hier meer over de Future Science Brief.

 

De Belgische federale staat wordt in de EMB vertegenwoordigd door het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO) en in het EMB Communication Panel door het Instituut voor Natuurwetenschappen.