Minister van Noordzee controleert mee de stikstofuitstoot van schepen op zee

Op woensdag 13 januari 2021 controleerde vice-eersteminister en minister van Noordzee Vincent Van Quickenborne in hoeverre schepen zich in het Belgisch deel van de Noordzee aan de geldende normen voor luchtvervuiling houden. Hij vloog daartoe mee met het Belgische Kustwachtvliegtuig. Door de toepassing van een ‘sniffer’-sensor in dit vliegtuig staat ons land bekend als een pionier in de internationale strijd tegen de luchtvervuiling boven zee. De sensor laat toe om op het terrein vervuilende componenten te meten in de uitstoot van schepen. Zwavelmetingen staan reeds sinds 2016 op het programma, sinds 2020 kunnen ook stikstofverbindingen worden gedetecteerd. Hiermee was België als eerste klaar om boven zee in te zetten op de controle op de beperkingen die vanaf 1 januari 2021 in de Noordzee gelden inzake de stikstofuitstoot van schepen.

Piloten Dries Noppe en Pieter Janssens, minister van Noordzee Vincent Van Quickenborne en operator Ward Van Roy (vlnr.) na de geslaagde sniffermissie met het Kustwachtvliegtuig OO-MMM. © KBIN/BMM

De uitstoot van zwaveldioxiden (SO2) en stikstofoxiden (NOx) door schepen draagt in belangrijke mate bij tot diverse gezondheids- en milieuproblematieken, zoals de vorming van fijn stof, de eutrofiëring (voedselverrijking door overmatige bemesting) van het leefmilieu (op land en zee) en de verzuring van drukbevaren kustregio’s. Ze geven ook aanleiding tot de vorming van het broeikasgas ozon, dat niet enkel bijdraagt tot de klimaatopwarming maar ook kan leiden tot aanzienlijke ademhalingsproblemen. Voldoende redenen om de strijd tegen de uitstoot van deze stoffen serieus te nemen!

Federale aandacht voor de strijd tegen luchtvervuiling

De Belgische Kustwacht gebruikt reeds sinds 2016 een zogenaamde ‘sniffer’-sensor aan boord van het vliegtuig van de BMM (Britten-Norman Islander, kenteken OO-MMM) dat boven zee wordt ingezet bij de controle op milieu- en nautische overtredingen. Deze sensor is een belangrijk instrument in de strijd tegen luchtvervuiling. België liep reeds internationaal in de kijker met betrekking tot de handhaving van de zwavelwetgeving, en breidde de unieke expertise in 2020 uit om voortaan ook het meten van stikstofverbindingen in de uitstoot van schepen op zee mogelijk te maken.

“Voor de aankoop van de stikstofsensor stelde mijn voorganger Philippe De Backer in 2019 een budget van € 70.000 ter beschikking van de Wetenschappelijke Dienst Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), dat zowel eigenaar als beheerder is van het Kustwachtvliegtuig. Ook in mijn beleid maken we van de strijd tegen luchtvervuiling boven zee een prioriteit en volgen we dit dossier nauwgezet op.” zegt minister Van Quickenborne.

Minister van Noordzee Vincent Van Quickenborne en operator Ward Van Roy tijdens de sniffermissie boven de Noordzee. © KBIN/BMM

Wanneer schepen met verdachte zwavel- of stikstofwaarden in de uitstoot worden gedetecteerd, wordt een rapport opgemaakt en bezorgd aan de haveninspectiediensten van de FOD Mobiliteit. Zij gaan vervolgens aan boord en onderwerpen het schip aan een uitgebreide controle. Indien onregelmatigeheden worden vastgesteld wordt een adminstratieve boete opgelegd. Door het targeten van verdachte schepen op basis van luchtmonitoring kunnen haveninspecties en staalnames gerichter worden uitgevoerd waardoor ze efficiënter worden.

Controlegebied voor stikstofemissies

Op 1 januari 2021 is in de Noordzee en Baltische Zee een emissiecontrolegebied voor stikstofoxiden (NOx) in werking getreden. Dit zogenaamde NECA-gebied (Nitrogen Emmission Control Area) is onderdeel van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen  (MARPOL), een verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Voorschrift 13 van de MARPOL Bijlage VI bepaalt de limieten van de NOx-uitstoot voor scheepsdiesel-motoren, als hoeveelheid NOx per eenheid van motorvermogen (uitgedrukt in g NOx per kWh).

De maximaal toegestane NOx-uitstoot door schepen uit de drie Tier-categorieën in de NECA gebieden, in functie van het motorvermogen.

Er worden 3 emissieniveaus gedefinieerd op basis van de bouwdatum (kiellegging) van het schip, de zogenaamde Tiers. Schepen gebouwd tussen 2000 en 2011 moeten voldoen aan de Tier I-norm (maximaal 17g NOx/kWh), schepen gebouwd na 2011 zullen moeten voldoen aan de Tier II-norm (maximaal 14.4g NOx/kWh). Schepen die vanaf 2021 worden gebouwd moeten in het NECA-gebied voldoen aan de strengste NOx-normen van Tier III (maximaal 3,4g NOx/kWh). Voor schepen gebouwd tussen 1990 en 2000 met een groot motorvermogen (>5000kW) of met een cilindergrootte groter dan 90l geldt ook de Tier I-norm. Voor oudere schepen werd geen norm vastgelegd. Het opzet is om tegen 2040 een graduele daling tot 80% te bekomen van de NOx-uitstoot door schepen varend in deze en andere NECA gebieden.

Ook voor zwavel bestaan er controlegebieden met strenge normen, en geldt dat de Belgische mariene wateren sinds 2015 deel uitmaken van de Noordzee en Baltische Zee SECA-zone (Sulphur Emission Control Area). Omdat de NECA- en SECA-gebieden voor de Noordzee en Baltische Zee geografisch overeenstemmen, spreken we vanaf 2021 eenvoudigweg over het Noordzee en Baltische Zee ECA-gebied (zie kaart).

Het Noordzee en Baltische Zee ECA gebied (Emission Control Area).

De NOx-sensor

Wanneer een beperkend wettelijk kader niet gepaard gaat met afdoende controlemechanismen riskeren de regels uiteraard dode letter te blijven. Tot voor kort kon de NOx-regelgeving enkel worden gehandhaafd door middel van de controle op het hebben van een geldig internationaal certificaat ter voorkoming van luchtverontreiniging, dat diende te worden beschouwd als voorlopig bewijs om vast te stellen of aan de voorschriften werd voldaan. Ook in hoeverre schepen die gebruik maken van emissiereductietechnieken (bv. een katalysator) hun apparatuur tijdig voor het binnenlopen van de ECA hadden geactiveerd, en of ze dus daadwerkelijk de stikstofvoorschriften naleefden, kon recent nog niet met zekerheid worden vastgesteld.

De nieuwe technologie van de stikstofsensor brengt verandering in deze situatie. Voor het eerst kunnen nauwkeurige NOx-controles boven zee worden uitgevoerd, en kunnen niet-conforme schepen worden geidentificeerd met echte metingen als bewijslast.

Het Kustwachtvliegtuig met immatriculatie OO-MMM. © KBIN/BMM

Testresultaten en toekomstperspectieven

De NOx-sensor werd tijdens de tweede helft van 2020 uitvoerig getest. “Tijdens 25 vluchten konden we in de Belgische wateren met success de stikstofuitstoot van maar liefst 394 schepen bepalen!” verduidelijkt Ward Van Roy, één van de operatoren van het Kustwachtvliegtuig. Van de gemonitorde schepen was ongeveer de helft gebouwd tussen 2000 en 2011, voor een derde was dat recenter dan 2011. De resterende schepen dateerden van voor 2000. “We constateerden hierbij dat de grote meerderheid van de gecontroleerde schepen die vanaf 2021 aan de normen van Tier I en Tier II moeten voldoen reeds in overeenstemming was met deze regels, maar documenteerden ook enkele schepen met stikstofconcentraties in de uitstoot die meer dan het dubbele van de grenswaarde bedroegen. We zijn benieuwd of dit ook na het activeren van de NECA op 1 januari 2021 het geval zal blijven.” voegt Van Roy toe.

Minister Van Quickenborne besluit: “België was klaar om vanaf 1 januari 2021 haar handhavingsrol ook op het vlak van stikstofemissies uit te voeren. De eerste resultaten mogen een groot succes worden genoemd, en geven vertrouwen dat we een enorme hoeveelheid informatie zullen kunnen verzamelen over de stikstofemissie van schepen op zee. Intussen heb ik ook middelen vrijgemaakt voor de aankoop van een sensor die de uitstoot van ‘zwarte koolstof’ kan meten. Die wordt later in 2021 toegevoegd aan de uitrusting van het vliegtuig en zal resultaten opleveren die bijdragen tot het uitwerken van de nodige regelgeving binnen de IMO. We streven naar 55% daling tegen 2030 en klimaatneutraliteit tegen 2050. Op deze manier bouwen we de Belgische pioniersrol in de strijd tegen luchtvervuiling door scheepsemissies op zee verder uit.”

Verslag van de eerste Belgian Flat Oyster Day

Op dinsdag 24 november 2020 organiseerden het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), de Universiteit Gent en het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) gezamenlijk de eerste Belgian Flat Oyster Day, als een online evenement.

Tijdens het evenement werd veel informatie over verschillende aspecten van het herstel en de aquacultuur van platte oesters gepresenteerd. Het evenement toonde aan dat er in België belangstelling bestaat voor platte oesters, wat ook werd geïllustreerd door het grote publiek (60+) dat het evenement heeft bijgewoond.

Een verslag van het evenement werd samengesteld, met daarin de bio van de sprekers en de samenvatting van de presentaties. Ook de resultaten van de vraag-en-antwoord en enquête-sessies werden opgenomen. Het verslag kan hier worden geraadpleegd: Report_Belgian_Flat_Oyster_Day2020_Final.

 

 

De presentaties (in het Engels) zijn ook beschikbaar onder de volgende links (de links staan ook in het verslag).

Restoration of flat oyster reefs in Europe – Bernadette Pogoda (AWINORA)

Flat oyster aquaculture in Europe. An overview – Bérenger Colsoul (AWI)

Legal (environmental) requirements for flat oyster introduction in Belgium – Jan Haelters (RBINS)

Animal health requirements for flat oysters’ movements – Chantal Rettigner (FASFC)

Restoration of flat oyster reefs. Vision on nature restoration – Yana Deschutter (FPS Environment)

Past projects – Value@Sea (EMFF) – Daan Delbare (ILVO)

Ongoing projects – SYMAPA (Blue Cluster) – Bert Groenendaal (Brevisco)

Ongoing projects – UNITED (H2020) – Nancy Nevejan (Ghent University)

Ongoing projects – BlueMarine³.Com (Blue Cluster) – Mathieu Wille (Ghent University)

Potential of flat oyster aquaculture – Patrick Sorgeloos (Vlaams Aquacultuurplatform)

European Flat Oyster in the North Sea, The Dutch Approach – Wouter Lengkeek (Bureau Waardenburg)

 

Uit de interactie met het publiek door middel van peilingen bleek dat er een grote belangstelling bestaat voor de voortzetting van de Belgian Flat Oyster Day. In welke vorm dit zal zijn, bijvoorbeeld als jaarlijks terugkerend evenement of onder de vorm van een Belgian Flat Oyster Consortium, in lijn met het Nederlandse initiatief, wordt nog bekeken. Wordt vervolgd.

We willen alle sprekers oprecht bedanken voor hun uitstekende presentaties, en het publiek voor hun aanwezigheid en enthousiaste deelname aan dit online evenement!

 

 

Dwergvinvis aangespoeld op het strand van Bredene

Een jonge dwergvinvis die op 11 december aanspoelde op het strand van Bredene bleek een wel heel onfortuinlijke voorgeschiedenis te hebben: een lege maag, ingewanden vol parasieten en een afwijkende wervelkolom. Tot overmaat van ramp kwamen hier nog twee gebroken onderkaken bovenop. Het is pas de achtste dwergvinvis die tijdens de voorbije 20 jaren in België werd gedocumenteerd, en slechts de derde stranding.

In de voormiddag van donderdag 11 december 2020 spoelde op het strand van Bredene, nabij de grens met Oostende, het verse kadaver van een jonge dwergvinvis (Balaenoptera acutorostrata) aan. Het dier van 3,89 m lang (een volwassen dwergvinvis kan bijna 10 m lang worden) en 489 kg zwaar oogde zeer mager, en had een gebroken rechteronderkaak waarvan de beenderen doorheen de wonde naar buiten staken. Een gezond exemplaar van de lengte van het Bredense dier zou ongeveer het dubbele moeten wegen, dus werd meteen vermoed dat het ook zonder breuken reeds in een slechte gezondheidstoestand vertoefde.

© KBIN/BMM_J. Haelters

Autopsie legt doodsoorza(a)k(en) bloot

Het kadaver werd onmiddellijk overgebracht naar de faculteit Diergeneeskunde van de UGent, waar een team van de UGent en de ULiège op 12 december een autopsie uitvoerde. Dit post-mortem onderzoek bevestigde de lamentabele toestand van de onfortuinlijke dwergvinvis: in de maag werden geen resten van een recente maaltijd aangetroffen, het spijsverteringssysteem zat vol parasieten en de wervelkolom vertoonde afwijkingen. De open breuk in de rechteronderkaak bleek minder oud dan eerst vermoed, en ook de linkeronderkaak bleek gebroken. Het vermageren stond uiteindelijk niet in relatie met de breuken: die moet het dier pas heel recent opgelopen, en waren het gevolg van een botsing met een obstakel zoals een vaartuig of strandhoofd, of met de zeebodem.

© KBIN/BMM_J. Haelters

Dwergvinvissen in België

Hoewel de dwergvinvis deel uitmaakt van de Noordzeefauna, is zijn verspreidingsgebied hoofdzakelijk beperkt tot het noordelijke en centrale deel van de Noordzee. De laatste jaren blijken ze echter wat vaker zuidelijker op te duiken, vermoedelijk door veranderingen in het mariene ecosysteem. “Uit de Belgische wateren waren ons uit de laatste 20 jaar slechts zeven aangetoonde gevallen bekend, waarbij het drie keer om kadavers en vier keer om waarnemingen van levende exemplaren ging.” verduidelijkt Jan Haelters, expert zeezoogdieren aan het KBIN. “De kadavers dateren uit 2004 (dood aangetroffen op zee en aan land gebracht; gestorven door bijvangst), 2013 (stranding; gestorven door inslikken van een grote hoeveelheid plastic) en 2017 (kadaver in staat van ontbinding op zee). De levende dwergvinvissen werden opgemerkt in 2013, 2017, 2019 en 2020.” Van enkele meldingen uit oktober 2020 is niet met zekerheid bekend of het om dwergvinvissen ging.

© KBIN/BMM_J. Haelters

Het skelet van de Bredense Dwergvinvis zal worden behouden voor de wetenschap.

Windparken als leveranciers van energie én mosselen

De kweek van mosselen in de Belgische offshore windparken is zowel op biologisch als op technisch vlak haalbaar, zo blijkt uit onderzoek dat onze wetenschappers en hun partners uitvoerden binnen het project Edulis. De economische haalbaarheid hangt af van het oplossen van technische uitdagingen.

Na twee jaar van experimenteren en onderzoek stellen wetenschappers en bedrijven de resultaten voor van het onderzoeksproject ‘Edulis: offshore mussel culture in wind farms, dat de mogelijkheden voor de mosselkweek bekeek in de offshore windparken op 30 tot 50 km van de Belgische kust. Edulis is een samenwerking tussen de Universiteit Gent, het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), KBIN/OD Natuur en 5 private partners (Belwind, Brevisco, C-Power, Colruyt Group en DEME Group). Het ambitieuze proefproject wordt grotendeels gefinancierd door private financiering en gefaciliteerd door Vlaamse en Europese financiering.

Kwaliteitsmosselen

Het project heeft kunnen aantonen dat het zowel biologisch als technisch mogelijk is om mosselen te cultiveren in de Belgische offshore windparken, waardoor deze meer dan één doel tegelijk kunnen dienen. De experimenten leidden tot een smakelijke kwaliteitsmossel die goed gevuld is en voldoet aan alle voedselveiligheidsvoorschriften. De opbrengst is gelijkwaardig aan hangcultuur uit Nederland en Ierland, én de mosselen groeien sneller dan mosselen uit bodemcultuur (marktklare mosselen in 15 in plaats van 24 maanden).

Technische uitdagingen

Dé grote uitdaging is installaties ontwerpen die bestand zijn tegen de soms extreme Noordzee-omgeving. Investeren in robuuste, gemakkelijk te onderhouden en veilige systemen, inclusief vaartuigen, is volgens de onderzoekers een must, al zal dat de algemene productiekost omhoog stuwen. Daarnaast bleek dat de dimensionering en de organisatie van de windparken niet optimaal is voor voedselproductie, wat logisch is gezien ze daar niet voor zijn ontworpen. Ook de afstand tot de kust vormt een uitdaging voor technische, praktische en economische haalbaarheid. Bij het ontwerpen van toekomstige windparken dient hierop gelet te worden om beide activiteiten te kunnen combineren.

Economische haalbaarheid

“Edulis heeft ons een duidelijk beeld verschaft van de kosten en baten van mosselkweek in de Noordzee”, zegt Margriet Drouillon, Senior Business Developer Aquacultuur en Blue Life Sciences aan de Universiteit Gent. “Indien we werkelijk mosselkweek op commerciële schaal beogen, zullen we fors moeten inzetten op de ontwikkeling van kennis aangaande de economische haalbaarheid van mosselkweek in de windparken. Ook zullen we andere pistes verkennen voor meervoudig ruimtegebruik op zee, met de nodige aandacht voor duurzame productie.”

Drie bijkomende uitdagingen voor aquacultuur op de Noordzee

De Universiteit Gent en het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) lanceerden in 2017 het project ‘Noordzee Aquacultuur’, met Edulis en Value@Sea als dochterprojecten. Ze sloegen hiervoor de handen in elkaar met hun partners KBIN/OD Natuur, Belwind, Brevisco, C-Power, Colruyt Group, DEME Group, Lobster Fish en Sioen Industries. Noordzee Aquacultuur pakte drie uitdagingen aan:

  • Innovatieve kweektechnieken voor schelpdieren en zeewier;
  • Efficiënt ruimtegebruik van de Belgische Noordzee;
  • De ontwikkeling van een markt voor nieuwe mariene streekproducten.

 

Meer info over Edulis:
Margriet Drouillon, UGent, 0484 13 95 39, margriet.drouillon@ugent.be

Nieuw monitoringsprogramma voor de Belgische mariene wateren

Na de evaluatie van de gezondheidstoestand van de Belgische mariene wateren in 2018, is nu ook de monitoring aangepast voor de tweede zesjarige cyclus van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De uitbreiding van de monitoring met enkele nieuwe partners en parameters zal leiden tot een vollediger begrip van de toestand van het Belgische zeegebied, en mee aan de basis liggen van een beleid dat is gericht op het bereiken en behouden van een goede milieutoestand.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRMS) stelt een kader vast waarbinnen de lidstaten de toestand van hun mariene wateren documenteren en de nodige maatregelen nemen om een goede milieutoestand te bereiken of behouden. Op die manier moeten de mariene ecosystemen uit heel Europa beschermd en eventueel hersteld worden.

DG Leefmilieu coördineert de uitvoering van de KRMS voor België. De Wetenschappelijke Dienst Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee BMM (onderdeel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) is verantwoordelijk voor de coördinatie van de monitoring en de beoordeling van de toestand, en werkt hiervoor samen met 7 andere instituten (ILVO, INBO, FAVV, FANC, VLIZ, Dienst Continentaal Plat- FOD Economie en Universiteit Gent; zie partners).

© KBIN/BMM

Een totaal van 29 monitoringsprogramma’s beschrijft de metingen in de verschillende compartimenten van het mariene milieu met een brede waaier van technieken (van staalname door duikers, analyses in het laboratorium tot tellingen vanuit de lucht en satellietobservaties). Ze dragen bij tot de 11 thema’s (de zogenaamde “beschrijvende elementen”) die in de KRMS worden gedefinieerd. Eutrofiëring, visserij, chemische vervuiling, afval en biodiversiteit van soortengroepen en habitats zijn slechts enkele van de aspecten die hierbij aandacht krijgen.

De nieuw opgenomen programma’s omvatten waarnemingen van plankton door VLIZ, afval op de zeebodem door ILVO, macrobenthos (organismen die op de bodem leven en met het blote oog zichtbaar zijn) in de windmolenparken door Universiteit Gent en radionucliden door FANC.

Samen zullen de metingen toelaten om de toestand van het mariene milieu in België te evalueren, en waar nodig ook actiepunten te definiëren voor een gunstige toekomstige evolutie.

Voor meer detail: raadpleeg de monitoringsprogramma’s en/of de beoordeling uit 2018.

Lederschildpad opgevist en weer gelost

Op 28 oktober was het even schrikken voor de bemanning van het vissersschip O190 Renilde. Rond 19:30 troffen ze tussen Middelkerke en Oostende immers niets minder dan een Lederschildpad aan in hun netten! De bemanning reageerde snel en kon het nog levende dier weer naar zee laten terugkeren (zie video © Kevin Van Thomme/bemanning O190.

Zevende geval

De Lederschildpad is een uitgesproken soort van open en warme zeeën, waar ze vooral van kwallen leven. In kustgebieden laten ze zich doorgaans niet snel zien (tenzij om eieren te leggen, maar dat is bij ons uitgesloten). Jan Haelters van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen zorgt voor duiding: “In het Belgisch deel van de Noordzee is de Lederschildpad zeer zeldzaam: tot op heden kenden we slechts drie strandingen (1988, 1998 en 2000) en drie waarnemingen (2018 en 2 in 2019). Hoewel het lijstje dus slechts zeven exemplaren telt is er een toename merkbaar in de recente jaren.”

© Kevin Van Thomme/bemanning O190

Ook in Nederland

Opmerkelijk is dat er ook in Nederland recent enkele Lederschildpadden werden gezien: van 22 tot 24 september verbleef er eentje in de Oosterschelde, en op 7 en 11 oktober zwom er eentje langs de Noordzeekust van Scheveningen. Uit vergelijking van de vorm en grootte van littekens op de kop van de beide dieren, en van de ‘ribben’ op hun rugschilden, blijkt dat het in België en de Oosterschelde alvast om verschillende individuen ging. Het Oosterscheldedier spoelde op 3 november dood aan ter hoogte van het Deense Ballum (artikel tvs).

Vergelijking van de Lederschildpadkoppen uit België (rechts, (© Kevin Van Thomme) en de Oosterschelde (© Wageningen Marine Research)

Een reservoirmodel voor het continentaal plat, het werd gedaan in België

Ruimtelijke ordening is een discipline die meestal wordt geassocieerd met bebouwde gebieden op het vasteland, maar als er één regio in de Noordzee is die een nauwgezette kartering van de activiteiten vereist, dan is het wel het Belgische offshoregebied. Natuurbehoud, scheepvaart, visserij, zandwinning, energieproductie, kabels en pijpleidingen, militaire oefeningen, … concurreren allemaal om de ruimte in dit kleine stukje zee.

Stakeholders actief op het Belgisch Continentaal Plat. De kaarten zijn gebaseerd op informatie van MarieneAtlas.be (2014-2020) en de locatie van de zandbanken is afkomstig uit het TILES-rapport. Let wel, één stakeholder is hier niet in kaart gebracht; de visserijsector, omwille van zijn aanwezigheid in de hele Belgische offshore. (animatie door Henk Kombrink, Editor Expronews)

In een samenvattend artikel koppelde het Noorse Expronews de Belgische mariene ruimtelijke ordening mooi aan enkele van de werkzaamheden van het KBIN met betrekking tot de beoordeling van de reserves van bepaalde abiotische hulpbronnen en hun exploitatiepotentieel.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan

  • het ultramoderne 3D model dat de verdeling en beschikbaarheid van alle niet-koolwaterstofgebonden geologische hulpbronnen in de Belgische en aangrenzende Nederlandse mariene wateren beschrijft, en dat ook kan dienen als ondersteuning voor de besluitvorming over hulpbronnen en ter ondersteuning van adaptieve beheersstrategieën op lange termijn (TILES, Van Lacker et al. 2019, Hademenos et al. 2019)
Output-voorbeeld van het TILES model.
Geologische kaart van het Brabants Massief op het land, geëxtrapoleerd naar het offshore gebied.

Eerste Belgische Platte Oesterdag, 24 november 2020

Op dinsdag 24 november 2020 organiseren het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), de Universiteit Gent en het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) samen de eerste Belgische Platte Oesterdag.

De platte oester (Ostrea edulis) is een iconische soort die ooit overvloedig aanwezig was in de Europese zeeën. De soort vormde uitgebreide riffen met diverse gemeenschappen van mariene organismen en was de doelsoort van een aanzienlijke visserij. Reeds aan het einde van de 19e eeuw waren de populaties van platte oesters in Europa drastisch afgenomen als gevolg van overbevissing en het uitbreken van ziekten in de 20e eeuw heeft de soort een laatste klap toegebracht. In de Belgische wateren wordt de soort nu als functioneel uitgestorven beschouwd.

De laatste tijd is er een toenemende belangstelling voor het herstel van de platte oesterpopulaties in Europa, zowel vanuit het oogpunt van de instandhouding als van de aquacultuur. Ook in België worden enkele initiatieven voor het herstel en de aquacultuur van deze belangrijke soort opgestart.

De Belgische Platte Oesterdag wil deze verhoogde aandacht benutten en heeft tot doel om alle relevante actoren en geïnteresseerden in de Belgische platte oesterscene samen te brengen. Door middel van twee keynote presentaties, die omkadering bieden rond het herstel en de aquacultuur van platte oesters in Europa, en aanvullende presentaties over bioveiligheid en visies voor het herstel van platte oesters en de aquacultuur in België, begint het evenement met een breed perspectief. Daarna wordt een duidelijk overzicht gegeven van de lopende initiatieven met betrekking tot de platte oester in België, zowel wat betreft het herstel als de aquacultuur. Het evenement wordt afgesloten met een voorbeeld van het Dutch Flat Oyster Consortium en een reflectie over hoe de platte oesterscene in België verder kan evolueren. U bent van harte uitgenodigd om het voorlopige programma nader te bekijken en u via onderstaande link in te schrijven.

PROGRAMMA

REGISTRATIE

Omwille van de aanhoudende COVID-19-crisis zal de eerste Belgische Platte Oesterdag een online evenement (WebEx) zijn op de ochtend van dinsdag 24 november 2020. Het evenement zal in het Engels worden gehouden. De inschrijvingen worden afgesloten op donderdag 19 november om 17 uur.

We kijken er naar uit om u te verwelkomen!

 

Organisatiecomité Belgische Platte Oesterdag

Annelies Declercq (Universiteit Gent), Steven Degraer (KBIN), Daan Delbare (ILVO), Thomas Kerkhove (KBIN), Brigitte Lauwaert (KBIN) en Nancy Nevejan (Universiteit Gent)

Dodental bruinvissen op Noordzeekusten stijgt

Een nieuwe studie die werd gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Biological Conservation brengt een opvallende toename van het aantal gestrande bruinvissen langs de Noordzeekusten aan het licht. Wetenschappers van de verschillende Noordzeelanden brachten daarvoor hun gegevens samen. Dit leverde ook inzichten op met betrekking tot de verspreiding en sterfte van de verschillende leeftijdsklassen, maar laat nog niet toe om definitieve uitspraken te doen over de effecten van verschillende menselijke activiteiten.

Aangespoelde bruinvis @Multimedia, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht

Een internationaal onderzoek onder leiding van de Universiteit Utrecht, waar het KBIN aan deelnam, bracht aan het licht dat sinds 1990 meer dan zestienduizend dode bruinvissen op de Noordzeekusten werden geregistreerd. Daarvan spoelden er meer dan 1500 aan in België. In Nederland, met zijn veel langere kustlijn, spoelden de meeste dieren aan. De onderzoekers ontdekten dat bruinvisstrandingen sinds 2005 opmerkelijk frequenter werden in de zuidelijke Noordzee, terwijl het aantal strandingen in de noordelijkere delen van de Noordzee nauwelijks veranderde.

Waardevolle informatie door strandingen

Het is niet gemakkelijk om bruinvissen te bestuderen op zee. Onderzoeker en marien ecoloog Mariel ten Doeschate, verbonden aan het Schotse strandingsnetwerk, vertelt: “Er wordt onderzoek gedaan naar de aantallen en verspreiding van levende dieren, maar dat kan alleen in beperkte periodes. Strandingen daarentegen worden het hele jaar door geregistreerd, en dit al tientallen jaren lang. Van gestrande dieren kunnen we bovendien het geslacht en de leeftijd bepalen.”

Hoewel de toename in het aantal strandingen samen loopt met een stijgend aantal waarnemingen van levende dieren in deze regio, mag daar niet zomaar uit worden besloten dat de aanhoudende sterke toename van het aantal strandingen enkel een gevolg is van de aanwezigheid van een groter aantal dieren (waarbij het sterftepercentage hetzelfde zou kunnen zijn gebleven). Het aantal dieren op zee is immers veel moeilijker nauwkeurig te bepalen dan het aantal strandingen, waardoor de beide gegevensreeksen niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn en de strandingen dus worden verondersteld beter weer te geven wat er zich in de populatie voordoet.

Impact menselijke activiteit

Er bestaat onzekerheid over de mogelijke effecten van menselijke activiteiten op de aantallen en de verspreiding van bruinvissen. Een mogelijk belangrijke factor is een veranderend klimaat, met wijzigingen in de voedselsituatie. Er worden ook onderzoeksprogramma’s uitgevoerd naar de invloed van de bouw van offshore windparken. Daarbij is het belangrijk dat data verzameld in landen rond de Noordzee samen gelegd worden: dit was nog niet eerder gebeurd. Onderzoeker Lonneke IJsseldijk (Universiteit Utrecht): “Onze studie heeft nieuwe en waardevolle inzichten opgeleverd en is een eerste stap in het verbeteren van onze kennis over de verspreiding van verschillende leeftijdsklassen, seizoens- en leeftijdspecifieke sterfte onder bruinvissen in de Noordzee.” De studie toonde onder meer aan dat meer pasgeboren dieren op Duitse en Deense kusten strandden, terwijl dat in Nederland, België en Zuid-Engeland juist vooral jonge mannetjes waren.

In onderzoek volgend op deze studie zal bijkomende informatie geanalyseerd worden, waaronder over gezondheid en ziekte.

 

Dit onderzoek is een samenwerking tussen de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, het Scottish Marine Animal Stranding Scheme, het UK Cetacean Strandings Investigation Programme, het Department of Bioscience of Aarhus University, het Institute for Terrestrial and Aquatic Wildlife Research of the University of Veterinary Medicine Hannover, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Naturalis Biodiversity Center, de Cetacean Atlas of Denmark, het Globe Institute, het Natural History Museum of Denmark en het Fisheries and Maritime Museum Denmark.

Publieke consultatie ‘Mercator telecommunicatiekabel’

De firma BT Global Services Belgium BV heeft een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een machtiging voor het leggen en een vergunning voor de exploitatie van de MERCATOR telecommunicatiekabel tussen Broadstairs – Joss Bay in zuidoost Engeland en het strand van Oostende (ten westen van de haven). Deze aanvraag is onderworpen aan een milieueffectenbeoordelings-procedure.

De aanvraag, het milieueffectenrapport (met geïntegreerd het ontwerp van de Passende Beoordeling en het visserijeffectenrapport) en de niet-technische samenvatting en kunnen geraadpleegd worden van 23 augustus tot 21 september 2020 in de kantoren van de BMM te Brussel (Vautierstraat 29, 1000 Brussel; mdevolder@naturalsciences.be; tel. 02/627 43 52) of te Oostende (3de en 23ste Linieregimentsplein, 8400 Oostende; jhaelters@naturalsciences.be; tel. 059/24 20 55), dit enkel op afspraak en tijdens de kantooruren tussen 9:00h en 17:00h, en afhankelijk van de heersende maatregelen opgelegd door de overheid m.b.t. Covid-19. Het dossier kan ook ingezien worden in iedere kustgemeente op werkdagen. Een lijst van de consultatieplaatsen en de bijhorende contactgegevens is hier beschikbaar: Kustgemeenten_2020.

Het dossier is eveneens elektronisch beschikbaar:

Iedere belanghebbende kan zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren tot en met 6 oktober 2020 overmaken aan mevrouw Brigitte Lauwaert, per post of via e-mail:

BMM T.a.v. Mevr. Brigitte Lauwaert

Vautierstraat 29, 1000 Brussel

blauwaert@naturalsciences.be