Milieueffecten van windparken op zee in België

Om de ecologische impact van windparken op zee op te volgen, coördineert ons instituut een uitgebreid programma dat de milieueffecten in kaart brengt. Dit is sinds 2008 volledig operationeel. Een nieuw rapport dat de recentste resultaten beschrijft, is vanaf heden beschikbaar.

Vanaf 2016 zijn 232 windturbines operationeel in het Belgisch deel van de Noordzee, met een gezamenlijke capaciteit van 870 Megawatt. Om de nationale doelstelling van de productie van 13% hernieuwbare elektriciteit tegen 2020 te bereiken, wordt een toename van het aantal windturbines in dit gebied tot circa 500 stuks gepland. Samen zullen deze een capaciteit hebben van 2200 Megawatt, wat tot 10% van de totale elektriciteitsbehoefte van België dekt. Met 238 km² gereserveerd voor offshore windparken in Belgische wateren, en 344 km² in het aangrenzende Nederlandse Borssele-gebied, zijn ecologische gevolgen onvermijdelijk.

Cover van het nieuwe monitoringrapport (Beeld KBIN)

Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen coördineert de monitoring van de milieueffecten van windparken op zee, en legt zich zelf in het bijzonder toe op hydro-geomorfologie, onderwatergeluid, ongewervelde dieren van harde substraten, radardetectie van (zee)vogels, en zeezoogdieren. Voor ongewervelden van zachte substraten, vissen en zeevogels, vertrouwt het programma op de aanvullende expertise van de Universiteit Gent, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) en het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO).

Door de omvang van het gebied en de veelheid aan disciplines blijft de uitgebreide monitoring van het ecosysteem in de windparken een grote uitdaging. Er wordt nauw op toegekeken dat de wetenschappelijke opvolging zich vooral toespitst op de disciplines die de meest relevante informatie voor het beheer opleveren. Ook om onderscheid te maken tussen natuurlijke variabiliteit en de door de mens geïnduceerde veranderingen, wordt het programma doorlopend geoptimaliseerd.

Het nationale onderzoeksschip Belgica speelt een grote rol bij de monitoring van de milieueffecten van windparken (Foto Jorn Urbain/Belgian Navy)

Enkele opmerkelijke resultaten uit het nieuwe rapport

Aantallen, dichtheden en biomassa van ongewervelde dieren en vissen die leven op of in associatie met de zeebodem: de resultaten geven aan dat het zachte sediment-ecosysteem tussen de turbines (op afstanden > 200 m) vijf tot zes jaar na de constructie niet ingrijpend veranderd is, en dat de soortengemeenschappen binnen de offshore windparken voornamelijk gestructureerd worden door temporele variabiliteit op grotere ruimtelijke schalen (bijv. temperatuurschommelingen, hydrodynamische veranderingen, planktonbloei). Schol (= pladijs) lijkt echter positief te worden beïnvloed door de windparken op zee. Dit kan mogelijk verband houden met een lokaal toegenomen voedselbeschikbaarheid, en/of de uitsluiting van visserij binnen de windparken.

Biodiversiteit van natuurlijke harde substraten (bv. grindbedden) versus kunstmatige substraten (bv. turbinefunderingen en erosiebescherming): aangezien natuurlijke harde substraten een veel hoger aantal soorten en ook meer unieke soorten blijken te huisvesten dan de kunstmatige substraten, lijkt het erop dat kunstmatige harde substraten niet kunnen dienen als volwaardige alternatieven voor het verlies van natuurlijke harde substraten.

Onderzoek naar het effect van heigeluid op kabeljauw (Foto Annelies De Backer/ILVO)

Invloed van onderwatergeluid veroorzaakt door heiwerkzaamheden op vissen en zeezoogdieren (heien is het in de grond inbrengen van de funderingen): in een experiment met gekooide kabeljauwen detecteerden de wetenschappers een sterke toename van zwemblaasletsels naarmate men zich dichter bij de geluidsbron bevindt. Bovendien werden na het heien veel interne bloedingen en een hoge mate van abnormaal zwemgedrag waargenomen, allemaal aanwijzingen voor een lagere overlevingskans op langere termijn. Met de huidige geluidslimieten die van toepassing zijn in de Belgische wateren, kunnen negatieve effecten van dit type onderwatergeluid bij vissen optreden tot een afstand van 750 m van de hei-locatie. Tijdens het heien nam verder ook het aantal keren dat de bruinvis werd opgemerkt af met tot 75%, en dit effect was meetbaar tot 20 kilometer vanaf de hei-locatie. Tegelijkertijd verdubbelde het aantal detecties van bruinvis op grotere afstanden, wat mogelijk te wijten is aan het ontvluchten van het onderwatergeluid door deze dieren.

Grote mantelmeeuw in offshore windpark (Foto Nicolas Vanermen/INBO)

Aanwezigheid en gedrag van vogels: voor vier soorten werd aangetoond dat ze het windpark op de Thorntonbank vermijden (Jan-van-gent, dwergmeeuw, drieteenmeeuw en zeekoet), terwijl drie andere (grote mantelmeeuw, zilvermeeuw en grote stern) erdoor aangetrokken bleken te worden. Een voortgezette studie van de waargenomen verschuivingen in het gedrag van sommige soorten (bijv. afname van de tijd die vliegend wordt doorgebracht, voedsel zoeken in de begroeiing op de funderingen) kan een nieuw licht werpen op het risico op aanvaringen van grote meeuwen met windturbines. Verder is ook bekend dat grote aantallen zangvogels over zee migreren. Aangezien eventuele aanvaringsslachtoffers onder water verdwijnen en dus niet kunnen worden geteld, wordt een vogelradar gebruikt om de migratiepatronen te ontrafelen. In de toekomst zullen de geregistreerde resultaten worden geanalyseerd met een verklarend model en zal het aanvaringsrisico ook voor dergelijke vogels worden geschat.

Grijze zeehond versus mens

Tijdens de voorbije weken verschenen onheilspellende berichten in de pers over grijze zeehonden die zwemmers ‘zullen’ aanvallen aan onze kust. Enige nuance is op zijn plaats.

Grijze zeehond, 23 januari 2007 (copyright KBIN)

Wie de voorbije weken de media volgde kon er niet buiten: kranten, websites en nieuwsprogramma’s op TV en radio waarschuwden voor grijze zeehonden, die werden afgebeeld als moordzuchtige wezens die onze stranden en kustwateren onveilig maken en zich weldra ook aan badgasten zullen vergrijpen.

Aanleiding was het artikel in La Dernière Heure (DH) « Il va y avoir des attaques de phoques en Belgique » (woensdag 9 aug), op basis van een interview met onze wetenschapscommunicator Kelle Moreau. Ook op de voorpagina van de krant klonk het al ongenuanceerd en alarmistisch: « Alerte aux phoques tueurs à la côte belge ». Het Laatste Nieuws (HLN) nam het bericht over (« Zeehonden zullen zwemmers aan kust aanvallen »), zij het in sterk afgeslankte vorm waarin vooral de sensatie overblijft. Vervolgens werd de ongelukkige boodschap veelvuldig verder verspreid, zowel door de Franstalige als de Nederlandstalige pers.

Grijze zeehond en een hond die te dichtbij mag komen, 14 maart 2017 (copyright Roland François)

We willen een en ander nuanceren :

Inhoudelijk zou de bijdrage in La Dernière Heure gaan over de strandingen van zeezoogdieren en zeldzame vissen op de Vlaamse stranden in 2016. Predatie van grijze zeehond op bruinvis wordt hier aangehaald als één van de oorzaken van sterfte bij bruinvissen, en in dit verband werd in de marge van het interview gevraagd of kan worden uitgesloten dat ooit een mens zal worden aangevallen door de grijze zeehond. Onze wetenschapscommunicator antwoordde dat dit niet kan worden uitgesloten, maar dat het in dergelijke gevallen niet zozeer om een uiting van agressie of poging tot predatie zou gaan, maar eerder om ongelukken ten gevolge van « verstoring » (van een rustend dier op het strand, een moeder met jong, …), « verwarring » (foeragerend dier in troebel water kan een mens misschien voor iets anders aanzien?) of zelfs van speels gedrag. Grijze zeehonden hebben nu eenmaal ferme tanden en klauwen, en zijn grote en sterke dieren, die bij interactie met een mens makkelijk verwondingen kunnen veroorzaken. Maar onze biologen zijn van mening dat de kans op een dergelijke interactie met een grijze zeehond in onze wateren heel klein blijft (maar bestaat), en dat paniek onnodig is. We moeten zeker niet wegblijven van zee en strand, en de grijze zeehond is absoluut niet ongewenst aan onze kust. De enige boodschap is dat we ons moeten realiseren dat de grijze zeehond een predator is, dat we gezond respect voor deze dieren moeten hebben, en ze best met rust laten.

Grijze zeehond en zwemmer (copyright Diederik D’Hert)

Dat grijze zeehonden bruinvissen op het menu hebben staan, werd trouwens ook door onderzoekers van ons instituut aangetoond. Zo spoelden in 2011 aan onze kust enkele bruinvissen aan met verwondingen die na analyse door grijze zeehonden veroorzaakt bleken te zijn. Dit nieuws werd aanvankelijk op groot ongeloof onthaald. Pas na bevestiging door analyses van buitenlandse wetenschappers, werd dit nieuwe gegeven algemeen aanvaard.

Jaarrapport strandingen 2016

In het kader van de uitvoering van het Koninklijk Besluit betreffende de soortenbescherming in de Belgische nationale wateren, wordt jaarlijks een rapport opgesteld dat een overzicht geeft van strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren in België.

Het nieuwe rapport (download op http://www.marinemammals.be/reports) geeft een overzicht van strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke vissen in België in 2016. Daarnaast worden ook de resultaten van het onderzoek naar de doodsoorzaak van aangespoelde dieren besproken, wordt ingegaan op de revalidatie en vrijlating van opgevangen dieren, en wordt het onderzoek naar de invloed van offshore windmolenparken op de bruinvis kort voorgesteld.

De meest opmerkelijke stranding van 2016 was ongetwijfeld die van een narwal, een dier uit het Noordpoolgebied dat bijna 70 jaar geleden voor het laatst in de Noordzee opgemerkt was. Daarnaast werden twee bultruggen gezien, en spoelden een reuzenhaai en twee maanvissen aan.

Het aantal strandingen van de inheemse bruinvis was met 137 dieren opnieuw zeer hoog. De belangrijkste doodsoorzaken waren incidentele vangst en predatie door de grijze zeehond. Bruinvissen bleken tijdens de installatie van offshore windturbines een gebied tot 20 km afstand te vermijden.

Witsnuitdolfijnen werden slechts op één dag gemeld, in tegenstelling tot tuimelaars die opnieuw regelmatigere gasten waren, en waarvan er in april ook één aanspoelde. Enkele dagen later spoelde een sterk ontbonden dolfijn aan langs de Schelde. De soort kon niet meer worden bepaald.

Het aantal aangespoelde dode of stervende zeehonden was gelijk aan het aantal in de voorbije jaren: zes gewone, 11 grijze en 12 niet tot op soort geïdentificeerde zeehonden. SEA LIFE Blankenberge verzorgde een recordaantal dieren: 15 grijze en 24 gewone zeehonden, waaronder een albino dier. Maar liefst 12 grijze en 20 gewone zeehonden konden na revalidatie weer in vrijheid worden gesteld.

Toezicht op zwaveluitstoot door schepen: binnenkort over ganse Noordzee?

In het eerder dit jaar verschenen Activiteitenrapport 2016 van ons programma van luchttoezicht boven zee werd de aankoop gemeld van een nieuw instrument, een zgn. sniffer-sensor, dat de BMM in staat stelt om met het toezichtsvliegtuig de zwaveluitstoot van schepen op zee te monitoren.

Deze nieuwe “zwavelmonitoringsvluchten” van de BMM werden opgestart in het kader van het Europese pilootproject ‘CompMon’, met als doel bij te dragen aan de handhaving van de strenge zwavelemissienormen vastgelegd in Bijlage VI aan het internationale MARPOL 73/78 Verdrag en de Europese Zwavelrichtlijn. De inperking van de zwaveluitstoot door schepen betreft immers een Europese topprioriteit, voor diverse belangrijke volksgezondheids- en milieuredenen (fijn stof, zure regen, en klimaatsverandering).

In 2016 heeft de BMM zo van meer dan 1300 schepen de zwaveluitstoot gemeten op zee, en werden bij 120 daarvan (= ca. 10%) verdachte zwavelwaarden vastgesteld. Deze verdachte waarnemingen werden systematisch naar de Belgische haveninspectiediensten van het Directoraat-Generaal voor de Scheepvaart gerapporteerd voor verdere opvolging aan wal – waar nodig in samenwerking met andere havenautoriteiten in het kader van het Europese ‘Port State Control’ netwerk.

De resultaten en ervaringen voortvloeiend uit deze vluchten werden eind mei 2017 in Noorwegen voorgesteld en besproken op de jaarlijkse vergadering van OTSOPA, de technische werkgroep van het Bonn Akkoord. Dit regionale akkoord regelt de samenwerking tussen Noordzeelanden, en de Europese Unie, ter voorkoming en bestrijding van de zeeverontreiniging door schepen. Onder dit akkoord werd begin de jaren ’90 ook het luchttoezicht boven de Noordzee opgestart, dat initieel vooral was bedoeld om de olielozingen door schepen een halt toe te roepen.

Volgend op de voorstelling door de BMM van de opmerkelijke resultaten van de zwavelmonitoringsvluchten boven zee, heeft OTSOPA beslist om een voorstel uit te werken tot uibreiding van deze zwavelmonitoringsoperaties over de ganse Noordzee, gecoördineerd op niveau van het Bonn Akkoord. Dit OTSOPA-voorstel zal later dit jaar ter goedkeuring worden voorgelegd op de vergadering van de Contracterende Partijen van het Bonn Akkoord.

Begin mei 2017 had de BMM dezelfde zwavelmonitoringsresultaten ook al toegelicht op de jaarlijkse vergadering van het Noordzee-Netwerk van Procureurs en Politiediensten (NSN), die van de vervolging van zwaveluitstoot-inbreuken een prioriteit heeft gemaakt.

Met deze internationale inspanningen vervult ons land momenteel een ware voortrekkersrol terzake. Ondertussen gaat de BMM onverminderd door met zwavelmonitoringsvluchten boven zee.

Staatssecretaris voor Noordzee Philippe De Backer reageert bijzonder positief: “België doet met deze controles pionierswerk. Het helpt ons om het Belgische deel van de Noordzee schoon te houden. Ook internationaal wordt dat opgemerkt. Daarom is het goed dat deze controles op de ganse Noordzee uitgerold worden.