Visie voor aquacultuur op zee en de ontmanteling van offshore windparken

Aquacultuur op zee en de ontmanteling van offshore windparken gaan gepaard met heel wat mogelijkheden en uitdagingen. Voor een efficiënte ontwikkeling van het toekomstige beleid over deze activiteiten is het essentieel dat de prioriteiten en bezorgdheden van de vele belanghebbenden gehoord worden en op een open en transparante wijze worden geïntegreerd in een breed gedragen visie waarmee beleidsmakers nadien aan de slag kunnen.

Om hieraan tegemoet te komen lanceerde het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in opdracht van de dienst Marien Milieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en minister van Noordzee, Vincent Van Quickenborne, twee afzonderlijke participatieve trajecten over deze thema’s. Meer dan vijftig verschillende organisaties gingen in op dit initiatief tot interactieve samenwerking.

Steven Degraer, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen: ”Belanghebbenden met elkaar laten praten levert altijd verrassende inzichten op en dit voor alle partijen rond de tafel. Het is de manier om elkaar te leren kennen, inzichten te delen en samen op zoek te gaan naar een duurzame toekomst voor de zee.”

De kick-off van beide trajecten vond plaats in Brugge op dinsdag 18 oktober 2022. De belanghebbenden kwamen nagenoeg maandelijks samen, en werkten ook intersessioneel aan de visie-opbouw. Tijdens een slotevent op maandag 15 mei, eveneens in Brugge, werden de resulterende visies rond aquacultuur en ontmanteling van offshore windparken in het Belgisch deel van de Noordzee voorgesteld aan de deelnemers van de trajecten en de pers.

Aquacultuur

Voorname elementen die binnen het stakeholderoverleg over aquacultuur op zee werden geïdentificeerd zijn:

Duurzame voedselproductie voor onze en de volgende generaties is het primaire doel van aquacultuur in het Belgisch deel van de Noordzee. Verschillende organismen zijn daarvoor geschikt. In de eerste plaats wordt gedacht aan oesters en mosselen, maar ook wieren, wulken, sint-jakobsschelpen en andere tweekleppigen, kreeftachtigen en vis komen in aanmerking. Ook aquacultuur van kwallen, zeekomkommers, zee-egels, zeegrassen en zelfs bacteriën is theoretisch mogelijk. In hoeverre het combineren van de kweek van verschillende soorten (geïntegreerde multitrofische aquacultuur) mogelijk is onze Belgische Noordzee moet nog verder worden onderzocht.

Europese platte oesters (Ostrea edulis) (©Walwyn, CC BY-NC-SA 2.0, < https://www.flickr.com/photos/overton_cat/2189811638 >, via Flickr)

Andere economische activiteiten (zoals de productie van brandstof en cosmetica, toerisme) kunnen worden verbonden aan aquacultuur en zo een rol spelen bij het wegwerken van de reststromen. Het optimaal gebruik van de beschikbare ruimte is één van de belangrijkste aandachtspunten.

Mogelijke ruimtelijke conflicten met andere gebruikers van de zee werden aangehaald, maar ook mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik.

Aandacht voor het milieu scoort ook heel hoog. Er bestaat hierbij niet enkel bezorgdheid over eventuele vormen van negatieve impact, men ziet ook mogelijkheden om aquacultuur te combineren met natuurbehoud, natuurherstel en kustbescherming.

Basis- en randvoorwaarden

Bij de zoektocht naar geschikte locaties en vormen van aquacultuur moeten verschillende voorwaarden gerespecteerd worden.

Belangrijke basisvoorwaarden zijn:

  • Het is in de eerste plaats belangrijk om te begrijpen op welke locaties de doelsoorten goed gedijen. Dit verschilt tussen de potentiële doelsoorten en is afhankelijk van soortspecifieke abiotische en biotische factoren.
  • Duurzame aquacultuur moet extractief zijn, wat betekent dat geen extra nutriënten of medicijnen mogen worden toegevoegd. Ook mag de draagkracht van het omringende natuurlijke ecosysteem niet worden overschreden.
  • In natuurgebieden wordt aquacultuur niet meer toegestaan vooraleer de gebieden in goede staat van instandhouding verkeren, en dan uitsluitend met inheemse soorten.
  • Aquacultuurproducten moeten voldoen aan de gangbare voedselveiligheidseisen.

Bijkomende randvoorwaarden die maximaal moeten worden nagestreefd, hebben betrekking op persoons- en verkeersveiligheid op zee, meervoudig ruimtegebruik, sociale gedragenheid, milieuschade, samenwerking, ecologische voetafdruk, ingenieur/technische aspecten, socio-economie, juridische en verzekeringsaspecten en brede bestuurlijke context.

De toekomst

Een Noordzee in goede staat van instandhouding is een vereiste om voldoende draagkracht te bieden voor aquacultuur. Om opportuniteiten te bevorderen en bezorgdheden te mitigeren moeten goed doordachte vergunningscriteria worden opgesteld. Bestuurlijke obstakels en administratieve rompslomp moeten worden weggewerkt. De ontwikkeling van een centraal monitoring- en waarschuwingssysteem en een gebundeld kennisplatform zou vele voordelen bieden. Gerichte subsidies kunnen helpen om kennishiaten aan te pakken en opportuniteiten uit te werken.

In de volgende fase zullen bijkomende gegevens en kaartmateriaal worden verzameld om een kansenkaart voor aquacultuur in het Belgisch deel van de Noordzee op te stellen, gekoppeld aan de vooropgestelde basis- en randvoorwaarden. Samengenomen vormen deze elementen een solide basis voor de beleidsondersteuning.

Ook samenwerking en afstemming tussen de Noordzeelanden is gewenst, onder meer wat betreft het opstellen van een uniforme Europese regelgeving.

Vincent Van Quickenborne, minister van Noordzee: “De Noordzee is een kweekvijver van vernieuwing. Met maar liefst 53 partners hebben we de afgelopen maanden de krachten gebundeld over twee belangrijke thema’s. Zo hebben we ondanks onze kleine Noordzee veel plaats om aan aquacultuur te doen. Bv. tussen de windmolens. Die gebieden brengen we nu in kaart. We zoeken welke soorten we goed kunnen combineren. En we gaan op zoek naar Europees geld om hierin te investeren.”

Ontmanteling van offshore windparken

De vergunningen voor het uitbaten van de reeds operationele Belgische windparken dateren van 10 tot 15 jaar geleden. De ontmanteling van die eerste generatie windturbines komt intussen in zicht. Net zoals de installatie van deze parken pionierswerk was, zal ook de afbraak ervan dat zijn. Bovendien rezen in de verstreken tijd heel wat vragen over het gefaseerde ontmantelingsproces in de periode 2034-2047. Enerzijds volgen nieuwe technologieën zich razendsnel op en anderzijds ontstaan steeds weer nieuwe inzichten rond de interactie tussen windparken en biodiversiteit.

Nieuwe technologieën: Nieuwe opties voor de ontmanteling van offshore windparken worden ontwikkeld, met betrekking tot technieken, materiaal en kostprijs. Zo wordt er bijvoorbeeld gezocht naar mogelijkheden voor herbestemming en recyclage van de wieken en naar manieren om monopile funderingen in hun geheel uit de bodem te verwijderen.

Biodiversiteit: De monitoring van de ecologische effecten van windparken toont aan dat in en rond de offshore windturbines extra biodiversiteit is ontstaan, het zogenaamde kunstmatige rif-effect. De nieuwe harde substraten liggen aan de basis van een rijke onderwaterfauna van ongewervelden, die op haart beurt verschillende vissoorten, vogelsoorten en zeezoogdieren aantrekt.

Ontmantelingsopties

Om de infrastructuur van offshore windparken te ontmantelen zijn er in theorie verschillende opties. De funderingen kunnen zowel volledig als gedeeltelijk worden verwijderd of volledig ter plaatse blijven. Ook de erosiebeschermingslagen en de bekabeling kunnen worden verwijderd of ter plaatse blijven. De meerderheid van de deelnemers aan de visievorming stelt een volledige verwijdering van alle door de mens ingebrachte structuren voorop.

Offshore windturbine met aanduiding van de opties voor de ontmanteling van de monopile, erosiebescherming en bekabeling. (Afbeelding eigendom KBIN/MARECO & Dienst Marien Milieu; creatie Hendrik Gheerardyn – Illustration & Infographics)
Ontmantelingsscenario’s voor monopile, erosiebescherming en bekabeling van offshore windturbines. (Afbeelding eigendom KBIN/MARECO & Dienst Marien Milieu; creatie Hendrik Gheerardyn – Illustration & Infographics)

De natuurlijk aanwezige en gewenste fauna van dynamische zandige substraten is aangepast aan een hoge dynamiek, waardoor deze een tijdelijke verstoring als gevolg van de ontmantelingsactiviteiten goed kan weerstaan en snel kan herstellen. De nieuwe biodiversiteit die ontstaat als gevolg van het artificiële rif-effect wordt in een van nature dynamisch zandbankecosysteem niet als dusdanig interessant beschouwd om onaangeroerd te laten omdat het een habitat betreft dat niet van nature voorkomt op die plaats. Bovendien zal bij ontmantelen in de context van repowering opnieuw hard substraat in de vorm van een nieuw windpark worden aangeboden waardoor die extra habitat-, schuil- en rustmogelijkheden zich op korte termijn en gefaseerd zullen herstellen.

Een deel van de infrastructuur laten staan zou nuttig kunnen zijn om structuren aan te bevestigen voor bijvoorbeeld aquacultuur, passieve visserij of als onderzoeksbasis (sensoren, testen nieuwe technologieën, …), maar deze functionaliteiten kunnen evenzeer worden voorzien bij nog te bouwen windturbines. Daarnaast wegen het behoud van (een deel van) de monopiles en het laten liggen van erosiebeschermingen en kabels niet op tegen de nadelen van onveiligheid en de gemiste kans tot hergebruik van materialen.

De windparkuitbaters daarentegen, die tenslotte de ontmanteling moeten uitvoeren en bekostigen, maken zich terecht zorgen of het ingenieurtechnisch wel haalbaar én betaalbaar zal zijn om een monopile volledig te verwijderen. Ook het verwijderen van de erosiebescherming, zelfs al is het om bij repowering opnieuw te gebruiken voor hetzelfde doel, is een kostelijke en tijdrovende activiteit. Verder onderzoek en overleg blijken dus nog nodig om de haalbaarheid en de voor- en nadelen van de alternatieve ontmantelingsscenario’s (volledig verwijderen, deels verwijderen of volledig laten staan van windparkinfrastructuur, inclusief erosiebeschermingslagen) in kaart te brengen. Door hier op tijd mee te starten, met het visietraject als eerste onderdeel, geven we tijd aan de betrokken publieke en private partners om zich voor te bereiden.

Nuttige info voor toekomstige windparken

De bevindingen uit het participatieve traject bieden ook inzichten in hoe de toekomstige windparken optimaal kunnen worden ingericht, rekening houdend met de ontmantelingsfase. Voornamelijk het bevorderen van circulair gebruik van materialen biedt duurzaamheidsmogelijkheden.

In de Prinses Elisabethzone bevinden zich zones met natuurlijk hard substraat, een laag-dynamisch habitat met hoge ecologische waarde. Ontmantelingswerkzaamheden zullen hier dus een grotere impact hebben dan op de dynamische zandgronden waar de huidige windparken staan. Anderzijds vallen in de grindbedden van de Prinses Elisabethzone veel win-wins te behalen met het inplanten van artificieel hard substraat zoals windturbines en erosiebeschermingslagen. Waar omwille van de natuurwaarde in de eerste zone geadviseerd wordt om bij ontmantelen alles weg te nemen, zal in de Prinses Elisabethzone nog moeten blijken hoe verstoring van de grindbedden bij ontmanteling maximaal kan worden vermeden, en hoe de natuurwaarde op de artificiële harde substraten in de nabijheid van de grindbedden maximaal kan worden behouden.

Vincent Van Quickenborne, minister van Noordzee: “Ons land hoort bij de wereldtop op het vlak van offshore wind. Nu gaan we binnen een paar jaar de ontmanteling moeten doen van de eerste generatie windmolens op zee. Dat zijn we nu aan het uitzoeken met allerlei instanties en onderzoekers. Want we willen dat ook op een duurzame manier doen. Door hier opnieuw een pionier in te zijn, zorgen we ervoor dat onze bedrijven ook hierin specialisten van wereldniveau zijn.”

 

De finale rapporten van de stakeholdertrajecten ‘Aquacultuur’ en ‘Ontmanteling van offshore windparken’ zullen vanaf half juni in te kijken zijn via de website van de dienst Marien Milieu, meer bepaald bij de rubriek ‘Noordzeepublicaties’.

Fototentoonstelling RV Belgica, Nieuwe Gaanderijen, Oostende

Vanaf 10 mei tot en met 4 juli 2023 kan je in de Nieuwe Gaanderijen van Oostende terecht voor de fototentoonstelling ‘Christian Clauwers: in de frontlinie van de klimaatopwarming’, waarin de RV Belgica en het zeewetenschappelijk onderzoek centraal staan. Alle beelden zijn van de hand van explorer-fotograaf Christian Clauwers, en werden gemaakt tijdens een expeditie op de Belgica, het Belgische onderzoeksschip van het Federaal Wetenschapsbeleid en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.

Adres: Nieuwe Gaanderijen, Koning Boudewijnpromenade (Zeedijk) z/n – 8400 Oostende

Prijs: gratis

Een drijvend laboratorium

Christian Clauwers is niet alleen fotograaf, maar ook ontdekkingsreiziger, spreker en auteur. Hij zeilde al twee keer de wereld rond, bezocht maar liefst 114 landen op alle 7 continenten, en verkende enkele van de meest afgelegen eilanden van de planeet. Zijn werk richt zich op de kwetsbare relatie – en het potentiële conflict – tussen mens en natuur.

Wetenschappers in de frontlinie

Christian Clauwers kreeg de unieke kans om mee te varen op de TalPro22-expeditie die koers zette naar de Tyreense Zee.  Aan boord van de Belgica legde hij zowel het wetenschappelijk onderzoek als de impact van de relatie tussen mens en natuur vast op beeld. Het schip beschikt over meer dan 400 vierkante meter laboratoriumruimte en heeft verschillende hoogtechnologische oceanografische meetinstrumenten aan boord. De rozette bijvoorbeeld, een cilindervormige constructie waar staalbuisjes en meetapparatuur aan hangen, kan men tot wel 5000 meter diepte laten zakken. Het duurt twee uur om het meetinstrument terug naar boven te halen, en dit in omstandigheden die snel kunnen omslaan. Het schip is uitgerust met satelliettechnologie waarmee het tot op een meter nauwkeurig positie kan houden, zelfs in de moeilijkste weersomstandigheden. De foto’s laten ons meekijken achter de schermen van deze indrukwekkende experimenten.

Een must-see voor iedereen die begaan is met de toekomst van onze planeet

Maar de expo is meer dan alleen maar mooie foto’s kijken. Het is, mét zicht op zee, een call-to-action om de kwetsbaarheid van onze planeet serieus te nemen.

Christian Clauwers: “ Ik wil mensen de kans geven om getuige te zijn van wat de natuur ons te bieden heeft en hen tegelijkertijd laten zien hoe kostbaar het is. In de reeks over de Belgica komt dit heel mooi tot uiting, omdat het wetenschappelijk onderzoek dat daar wordt uitgevoerd die kwetsbaarheid van de natuur meetbaar maakt. De wetenschappers aan boord meten wat ik probeer te fotograferen, en nu fotografeer ik wat zij meten. Het is een uitwisseling waarbij de pijl twee richtingen uitgaat en dat maakt het zo boeiend.”

De expo toont de gevolgen van de menselijke voetafdruk en laat zien wat er op het spel staat als we niet handelen om klimaatverandering aan te pakken. Het is een indrukwekkend en inspirerend voorbeeld van hoe beelden kunnen worden gebruikt om het bewustzijn te vergroten en de wereld te veranderen.

Zeezoogdieren in België in 2022

In het nieuwe rapport Zeezoogdieren in België in 2022 compileert het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen de resultaten van de monitoring en het wetenschappelijk onderzoek naar zeezoogdieren in België in 2022. Er spoelden relatief weinig bruinvissen aan, maar de aantallen op zee waren bij de hoogste sinds het begin van de tellingen. De aantallen aanspoelende dode zeehonden volgen een stijgende trend, al waren het er in 2022 heel wat minder dan in 2021. De waarschijnlijke geboorte van een jonge Gewone zeehond in Nieuwpoort was een primeur voor ons land. Twee Bultruggen, twee groepen Witsnuitdolfijnen en een Gewone spitssnuitdolfijn moeten in de zuidelijke Noordzee tot de zeldzamere soorten worden gerekend.

Gewone zeehond, Koksijde, 3 maart 2022 (© Dominique Nootens)

Welke dode of stervende zeezoogdieren spoelden aan op onze stranden? Welke doodsoorzaken konden worden aangewezen? Wat zijn de trends van zeezoogdieren in België? Hoeveel zeehonden heeft Sealife opgevangen? Welke zeldzame soorten passeerden de revue? Dit zijn de vragen waarop men de antwoorden kan vinden in het nieuwste zeezoogdierenrapport, dat de focus legt op de resultaten uit 2022.

Bruinvissen

In 2022 spoelden 45 Bruinvissen aan op onze stranden, het laagste aantal sinds 2004. Vier van deze Bruinvissen strandden levend, maar ze stierven allen op het strand of tijdens pogingen om hen te redden. Eén van deze dieren was drachtig.

Dat er relatief weinig Bruinvissen aanspoelden kan echter niet in verband worden gebracht met de aantallen die op zee aanwezig waren. Luchtsurveys boven het Belgisch deel van de Noordzee in maart en oktober resulteerden immers in schattingen van meer dan 11.000 en meer dan 2000 Bruinvissen. In maart ging het daarbij om het derde hoogste aantal dat sinds het begin van de surveys in 2009 werd gedocumenteerd. Het hoogste aantal betrof meer dan 18.000 in april 2018. Hoewel de Belgische wateren slechts een onderdeel van het leefgebied van de Bruinvissen uit de zuidelijke Noordzee vormen, en de aantallen in België sterk kunnen fluctueren, bevestigen de resultaten een patroon dat reeds in vorige jaren duidelijk werd: bij ons treffen we de grootste aantallen aan in het voorjaar, met een verschuiving naar het westen – de Engelse wateren – in de zomer en het najaar.

Bruinvissen, Nieuwpoort, 18 oktober 2022 (© Christian Vandeputte)

Opvallend in 2022 was dat de helft van de strandingen plaatsvond tussen juli en september, waarbij het vaak om jonge en verhongerde dieren ging. In de voorgaande jaren strandden Bruinvissen vooral in maart en april, de periode met de hoogste aantallen op zee, en was bijvangst in de visserij de voornaamste doodsoorzaak. In 2022 kon bijvangst slechts in twee gevallen worden aangewezen, terwijl zes Bruinvissen slachtoffer werden van predatie door Grijze Zeehond. Een aantal Bruinvissen was te ontbonden om de doodsoorzaak te achterhalen.

Zeehonden

Met 54 dood aangespoelde zeehonden (18 Grijze, 10 Gewone en 26 die niet meer tot op soort konden worden gebracht) was 2022 een rustiger jaar dan 2021, toen 101 dode zeehonden aanspoelden. Een groot aandeel daarvan bleek slachtoffer te zijn van visserij met staande wanten. Het lijkt het onwaarschijnlijk dat die visserij in 2021 op een andere manier of in een ander gebied werd beoefend in vergelijking met de voorgaande jaren en 2022, mogelijk kan de piek van 2021 dus mee worden verklaard door andere meteorologische omstandigheden in het voorjaar of een afwijkend verplaatsingspatroon van Grijze zeehonden na het spenen in de kolonies van de Engelse oostkust.

Niettemin ging het in 2022 om het tweede hoogste aantal dode zeehonden uit de tijdsreeks. Minstens 14 onder hen stierven in visnetten, allemaal tussen januari en mei. Minstens één dier werd gedood door een andere zeehond. Veel zeehonden waren te ontbonden om er nog de meest waarschijnlijke doodsoorzaak voor te bepalen.

Jonge Grijze zeehond, Nieuwpoort, 17 januari 2022 (© Filip De Ruwe)

Sealife Blankenberge ving in 2022 12 Grijze zeehonden en drie Gewone zeehonden op. Zoals in 2021 hadden enkele jonge zeehonden, zowel dode als levende, opvallende verwondingen rond de nek, ongetwijfeld veroorzaakt door monofilament garen van staande wanten.

Op de rechteroever van de IJzermonding te Nieuwpoort is waarschijnlijk een Gewone zeehond geboren: een primeur voor ons land. We vonden geen andere data terug over geboortes van zeehonden in België in de 20e of 21e eeuw.

Zeldzame soorten

In 2022 werden in de Belgische wateren twee Bultruggen gezien (mei-juni en december), en er waren twee waarnemingen van groepen Witsnuitdolfijnen (juni en december). De solitaire Tuimelaar, sociaal naar de mens toe, was nog steeds aanwezig in het grensgebied met Frankrijk. Er spoelde ook een dode Tuimelaar aan (oktober). Dit dier stierf mogelijk na een aanvaring. In 2022 spoelde, zoals dat ook in 2020 het geval was, een levende Gewone spitssnuitdolfijn aan (juli). Dit is een erg zeldzame soort in de zuidelijke Noordzee. Het dier kon terug in zee gebracht worden. Een maand later werd, heel dicht bij de kust, een levende, niet tot op soort gebrachte spitssnuitdolfijn gezien. Een dode Gewone vinvis dreef langs de Belgische kust om uiteindelijk in Nederland aan te spoelen (september-oktober).

Bultrug, Knokke-Heist, 3 juni 2022 (© Julien Hainaut)
Bultrug, Knokke-Heist, 3 juni 2022 (© Diederik D’Hert)

Kaderstukken

In kaderstukjes wordt dieper ingegaan op 30 jaar ASCOBANS (Overeenkomst inzake de instandhouding van kleine walvisachtigen in de Baltische Zee en de Noordzee), op een project voor het vermijden van aanvaringen van schepen met walvissen, op de rol van het North Seal Team bij de bescherming van zeehonden en op maatregelen met betrekking tot het vogelgriepvirus, dat in 2022 op een aantal plaatsen op de wereld ook zeezoogdieren trof.

Alle zeezoogdieren genieten in België wettelijke bescherming. Het opvolgen van de populaties en het onderzoek naar de geobserveerde trends, met het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen als verantwoordelijke overheidsdienst, kaderen in de uitvoering van het Koninklijk Besluit betreffende de soortenbescherming in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, waarbij onder meer de afspraken gemaakt binnen de Kustwacht worden gevolgd. Ook het onderzoek naar de gezondheids-toestand en doodsoorzaken is een verplichting aangegaan in internationale afspraken, die ons bovendien veel leert over de toestand van het mariene milieu. De monitoring en het wetenschappelijk onderzoek naar zeezoogdieren zijn echter enkel mogelijk dankzij de steun van de lokale nood- en controlediensten en het enthousiasme en de meldingsbereidheid van vele waarnemers.

Het rapport ‘Zeezoogdieren in België in 2022’ kwam tot stand met medewerking van het Departement Veterinaire Pathologie van de Universiteit Luik, de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent, Sealife Blankenberge en het North Seal Team.

Voor informatie over recente waarnemingen van zeezoogdieren in België en instructies over wat te doen bij strandingen kan je terecht op de website marinemammals.be. De jaarrapporten kunnen hier ook worden geraadpleegd.

 

Effect van bodemvisserij op koolstofemissie uit de zeebodem werd overschat

In 2021 haalde een artikel in Nature de wereldkoppen omdat het de koolstof die vrijkomt door verstoring van de zeebodem als gevolg van bodemvisserij met sleepnetten gelijkstelde aan de hoeveelheid CO2 die de mondiale luchtvaartindustrie genereert. Nu worden deze conclusies weerlegd door een artikel dat eveneens in het prestigieuze tijdschrift is gepubliceerd. De auteurs, waaronder Sebastiaan van de Velde van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de Université Libre de Bruxelles, vrezen dat het gebruik van overdreven cijfers voor de bodemsleepnet-visserij de mondiale CO2-uitstoot zal doen toenemen en tegelijk de mondiale voedselvoorziening zal doen afnemen.

Sedimentpluimen na verstoring van de zeebodem door bodemsleepvisserij. (©SkyTruth, CC BY-NC-SA 2.0, <https://www.flickr.com/photos/skytruth/3256057796>, via Flickr, adapted)

Een vandaag in Nature gepubliceerd artikel weerlegt de conclusies van een eerder artikel van Sala et al  over de hoeveelheid CO2 die uit de zeebodem vrijkomt door bodemvisserij met sleepnetten. Dat artikel haalde de wereldkoppen toen het in 2021 werd gepubliceerd, omdat het de koolstof die vrijkomt bij verstoring door bodemsleepnetten gelijkstelde aan de hoeveelheid CO2 die de mondiale luchtvaart-industrie genereert.

In het nieuwe artikel tonen onderzoekers echter aan dat de door Sala et al gebruikte methodologie de koolstofemissies sterk overschatte. Om de hoeveelheid CO2 te berekenen die vrijkomt door verstoring van de bodem door bodemvisserij met sleepnetten, maakten de auteurs van de studie uit 2021 een model van de hoeveelheid koolstof die zou worden verstoord en namen hierbij aan dat deze koolstof grotendeels in CO2 zou worden omgezet.

Het is echter zo dat het grootste deel van de organische koolstof op de zeebodem sowieso zou ontbinden en als CO2 zou vrijkomen, ongeacht of deze door bodemvisserij wordt verstoord. Slechts een zeer klein deel van de koolstof op de zeebodem reageert potentieel op verstoring door de bodemvisserij. Het effect van de bodemvisserij met sleepnetten op de koolstofopslag in de oceaanbodem blijkt volgens de nieuwe studie maar liefst 100 tot 1000 keer kleiner dan dat van het wereldwijde luchtvervoer.

Boomkorvisserij is een vorm van bodemvisserij met sleepnetten. (Ecomare/Oscar Bos, CC BY-SA 4.0, <https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0>, via Wikimedia Commons)

“De auteurs van de oorspronkelijke studie richtten hun berekeningen op de ‘sappige’ en reactieve organische koolstof aan het oppervlak, die hoe dan ook snel zou vrijkomen door natuurlijke processen, in plaats van op de verouderde en veel minder reactieve koolstof die is opgeslagen op de zeebodem,” verklaart Sebastiaan van de Velde, senior onderzoeker aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de Université Libre de Bruxelles, en tweede auteur van de studie. “Aangezien de meest reactieve koolstof hoe dan ook snel wordt omgezet in CO2, wordt de geschatte CO2-uitstoot door de aanname dat deze door de bodemsleepnetvisserij wordt beïnvloed, sterk opgedreven”.

Onterecht gerustgesteld

Het lijdt geen twijfel dat de bodemvisserij met sleepnetten de natuurlijke koolstofstromen verstoort en het mariene leven op de oceaanbodem verstoort, maar de koolstofstromen van de zeebodem zijn zeer complex. Het gebruik van overdreven cijfers is zorgwekkend, aangezien veel regeringen en andere actoren voorstellen de bodemvisserij met sleepnetten te verbieden en “koolstofkredieten” te gebruiken om andere activiteiten te compenseren. Maar wanneer de koolstofuitstoot ten gevolge van het verstoren van de zeebodem met meerdere ordes van grootte wordt overschat, lopen we het risico om onterecht gerustgesteld te zijn bij een eventueel verbod op bodemvisserij met sleepnetten. In werkelijkheid zou dit de inspanningen kunnen afleiden van efficiëntere methoden, terwijl de totale CO2-uitstoot in tussentijd toeneemt terwijl de mondiale voedselvoorziening afneemt.

“Het weerleggen van resultaten van eerdere studies is onderdeel van het klassieke wetenschappelijke proces: één studie presenteert een hypothese, anderen bestrijden die met hun eigen experimenten, en zo komen we dichter bij de waarheid” besluit van de Velde.

De Kustwacht en toezicht en controle in de visserij

Welke technologieën worden gebruikt en kunnen in de toekomst gebruikt worden bij het toezicht en de inspectie op de visserij? Wat zijn de huidige en toekomstige ontwikkelingen voor visserijcontrole? Hoe doet België het? Wat doet het European Fisheries Control Agency (EFCA) en hoe doen andere kustwachtpartners van de Europese Unie het? Hoe werkt dit in de praktijk?

Het gebruik van bewijsmateriaal op basis van innovatieve technologieën bij toezicht en inspectie op de visserij was het thema van de derde workshop onder het Belgische voorzitterschap van het ECGFF, het European Coast Guard Functions Forum waarin de kustwachten van verschillende Europese landen samenwerken. Het doel was om ervaring en goede praktijken te delen binnen de Europese Unie.

Van dinsdag 2 mei tot en met donderdag 4 mei kwamen delegaties samen in Brugge, met een uitstap naar de haven van Oostende. In totaal waren er 119 deelnemers, waarvan de meerderheid fysiek aanwezig was en slechts enkelen online volgden. Bijna alle lidstaten met kustlijn (leden van ECGFF) namen deel, dit zijn 22 lidstaten.

Piet Pieters, aanwezig voorzitter van het ECGFF opende de workshop in Brugge met een stukje historiek: “Tijdens de Gouden Eeuw was Brugge een bloeiend handelscentrum aan zee, waar naties uit verschillende Europese landen gevestigd waren. Het is symbolisch dat we als maritieme landen precies hier samen met de Europese Commissie en met de gespecialiseerde Europese Agentschappen nieuwe, toekomstgerichte samenwerkingsverbanden smeden. Wat hier wordt besproken is overigens niet alleen relevant voor de visserijcontrole, maar ook voor alle andere kustwachtfuncties.”

In een eerste sessie gaf het Departement Landbouw en Visserij uitleg over de huidige en toekomstige mogelijkheden op visserijcontrole en het gebruik van bewijsmateriaal in België. Ook werd er een video getoond over de Vlaamse visserijcontrole en de werkwijze van het EFCA in Europese wateren met hun eigen vaartuig. Daarna gaf het EFCA een overzicht van de bestaande technologieën en hun potentieel voor het verzamelen van bewijsmateriaal ter ondersteuning van de visserijcontrole. Ook andere Agentschappen (EMSA en Frontex) en deelnemers deelden goede praktijken.

In de namiddag was er een bezoek aan enkele kustwachtplatformen in de haven van Oostende. Daar bezochten ze o.a. de Sirius, één van de schepen van het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) – Vloot dab, en the Ocean Protector van EFCA die een rol spelen bij de controle van de visserij op zee en tenslotte gingen ze langs bij het Maritime Rescue Coordination Centre (MRCC), waar ze een uiteenzetting kregen over incidenten met vissersschepen op zee.

Op donderdag 4 mei kwam de praktijk verder aan bod. Er was een panelgesprek over het gebruik van bewijsmateriaal gemaakt door nieuwe technologieën. Er werd afgesloten met een debriefing van de oefening van het ministerie van Defensie.

 

De Kustwacht is een unieke Belgische organisatie die de expertise van 17 partners in de maritieme sector samenbundelt en coördineert, om zo de veiligheid en beveiliging op zee te garanderen. Ook de Wetenschappelijke Dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)’, onderdeel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), behoort tot de partners.

In 2022-2023 is Kustwacht België voorzitter van het European Coast Guard Functions Forum (ECGFF). Samen met de Europese Agentschappen FRONTEX, EMSA en EFCA organiseert ze gedurende het jaar een aantal workshops. In samenwerking met DG Mare van de Europese Commissie wordt eveneens een werkgroep Cybersecurity georganiseerd, en de summit die plaatsvindt eind september 2023.

Twee keer Witsnuitdolfijnen vanop de Belgica in 2022

Nadat Witsnuitdolfijnen in het begin van de 21e eeuw frequenter in de Belgische wateren werden waargenomen werd de soort recent lokaal weer zeldzamer. Waarnemingen van groepen op 23 juni en 14 december 2022 betreffen zelfs de eerste waarnemingen van levende Witsnuitdolfijnen in Belgische wateren sinds april 2018. Op beide data werden de dieren gezien vanop het nieuwe onderzoeksschip RV Belgica.

Witsnuitdolfijnen (© Diederik D’Hert)

Op donderdag 23 juni 2022 werd vanop het onderzoeksschip RV Belgica een groepje van een tiental Witsnuitdolfijnen gezien in het Belgische deel van de Noordzee. De dolfijnen werden door verschillende opvarenden opgemerkt op zo’n 5 km van de kust van Knokke, terwijl het schip onderweg was naar haar doopceremonie in de peterstad Gent. De dieren zwommen in westelijke richting en kwamen daarbij geregeld boven het water uit. Aanwezige ILVO-onderzoekers determineerden de dolfijnen als Witsnuiten, wat werd bevestigd door een filmpje dat Luitenant-Commandant Ilja Van Hespen van de Belgische Marine kon maken waarop de kenmerkende witte snuit en lichte flanktekening met donker zadel te zien zijn.

Op woensdag 14 december 2022 was het weer prijs, en waren onderzoekers van het INBO en het KBIN de bevoorrechte getuigen. Aanvankelijk werden een tiental dolfijnen opgemerkt op ongeveer 42 km van de Belgische kustlijn (loodrecht op de kust gemeten was dat ter hoogte van Oostende), waarbij reeds werd vermoed dat het om Witsnuitdolfijnen ging. Pas wanneer twee individuen het schip een tijdje later dichter naderden kon dit hard worden gemaakt, en door Hilbran Verstraete (INBO) ook fotografisch gedocumenteerd.

Verspreiding

De Witsnuitdolfijn (Lagenorhynchus albirostris) komt voor in koude gematigde en subarctische wateren van de Noord-Atlantische Oceaan, meestal beperkt tot de zones van minder dan 1000 m diep. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van de oostkust van Noord-Amerika (noordwaarts van Cape Cod), over zuidelijk Groenland en de wateren rond IJsland, tot de Europese westkust van Noord-Frankrijk tot Spitsbergen. In de Noordzee treft men ze bijna exclusief aan in de centrale en noordelijke delen, waar de populatie in 2016 op 20.000 dieren werd geschat (Hammond et al.; 2017). In de zuidelijke Noordzee leunt de soort tegen de grens van haar verspreidingsgebied aan en zijn Witsnuitdolfijnen een onregelmatigere verschijning. De Witsnuitdolfijn is zeldzaam in het Engels Kanaal.

Talrijker en weer zeldzamer

In het begin van de 21e eeuw, met name tussen 2003 en 2011, lijkt de soort bij ons een tijdje minder zeldzaam te zijn geweest (Haelters et al.; 2018). In de periode 2009-2018 werden in het Belgisch deel van de Noordzee 62 meldingen van Witsnuitdolfijnen geregistreerd (Haelters et al.; 2019), met ongetwijfeld wat dubbeltellingen, maar in de laatste jaren uit dit tijdsinterval kende het aantal waarnemingen een sterke afname tot slechts 1 à 3 gevallen per jaar, met ook enkele waarnemingen net buiten het Belgische Noordzeegebied (Haelters et al.; 2016a, 2016b, 2017, 2018, 2019, 2020, 2021). Binnen de Belgische dataset valt een duidelijke piek op te merken in de eerste helft van het jaar (januari – mei), maar er zijn ook waarnemingen uit bijna alle andere maanden bekend. Voor de jaren 2019, 2020 en 2021 liggen echter geen zekere Belgische waarnemingen van levende Witsnuitdolfijnen meer voor (Haelters et al.; 2020, 2021, 2022), twee exemplaren op 19 april 2018 betroffen de laatste waarneming. Tot de groepen van  23 juni en 14 december 2022 dus. De Witsnuitdolfijn lijkt zich dus weer meer naar het noorden te hebben teruggetrokken, mogelijk een gevolg van klimaatveranderingen en de daarmee gepaard gaande effecten op de verspreiding van hun prooien (IJsseldijk et al.; 2018).

Strandingen

Ook dood aanspoelende (of op zee drijvende) Witsnuitdolfijnen werden recent zeldzamer langs de zuidelijke Noordzee. Terwijl tussen 2000 en 2013 jaarlijks gemiddeld één Witsnuitdolfijn aanspoelde in België zijn sindsdien slechts drie gevallen bekend (29 november 2017 Oostduinkerke, 17 mei 2018 De Panne en 4 maart 2020 op zee ter hoogte van Middelkerke) (Haelters et al.; 2018, 2019, 2021). Ook in Nederland stelde men een afname in het aantal strandingen vast (Keijl, 2016), nadat eerder werd opgemerkt dat de Tuimelaar (Tursiops truncatus) bij het begin van de 21e eeuw uit de strandingslijsten verdween met het frequenter worden van de Witsnuitdolfijn (Camphuysen & Peet; 2006). Of er in de zuidelijke Noordzee daadwerkelijk een verband is tussen de tegengestelde trends van de Tuimelaar (die recent ook in België regelmatiger wordt opgemerkt) en de Witsnuitdolfijn, wensen we hieruit echter niet af te leiden.

Literatuur

Camphuysen, C.J. & Peet, G.H., 2006. Whales and dolphins of the North Sea. Fontaine Uitgevers BV, ’s Graveland, The Netherlands.

Haelters, J., Kerckhof, F., Jauniaux, T., Potin, M., Rumes, B. & Degraer, S., 2016a. Zeezoogdieren in België in 2014 [Marine mammals in Belgium in 2014]. MARECO rapport 16/01. 29 pp.

Haelters, J., T. Jauniaux, F. Kerckhof, M. Potin & T. Vandenberghe, 2016b. Zeezoogdieren in België in 2015 [Marine mammals in Belgium in 2015]. Rapport BMM 16/01 – MARECO 16/03. 26 pp.

Haelters, J., F. Kerckhof, B. Rumes, M. Potin & T. Jauniaux, 2017. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke vissen in België in 2016 [Strandings and sightings of marine mammals and some remarkable fish species in Belgium in 2016]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel. 30 pp.

Haelters, J., F. Kerckhof, K. Moreau, M. Potin, M. Doom & T. Jauniaux, 2018. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke vissen in België in 2017 [Strandings and sightings of marine mammals and some remarkable fish species in Belgium in 2017]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel. 30 pp.

Haelters, J., F. Kerckhof, K. Moreau, B. Rumes, M. Potin, T. Jauniaux & D. Vercayie, 2019. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke andere soorten in België in 2018 [Strandings and sightings of marine mammals and remarkable other species in Belgium in 2018]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel. 34 pp.

Haelters, J., F. Kerckhof, K. Moreau, B. Rumes, Team SeaLife, T. Jauniaux & P. Cornillie, 2020. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke andere soorten in België in 2019 [Strandings and sightings of marine mammals and remarkable other species in Belgium in 2019]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel. 34 pp.

Haelters, J., F. Kerckhof, K. Moreau, Team SeaLife, E. Lambert & T. Jauniaux, 2021. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren en opmerkelijke andere soorten in België in 2020 [Strandings and sightings of marine mammals and remarkable other species in Belgium in 2020]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel. 34 pp.

Haelters, J., Moreau, K., Team SeaLife, Jauniaux, T. & Kerckhof, F., 2022. Strandingen en waarnemingen van zeezoogdieren in België in 2021 [Strandings and sightings of marine mammals in Belgium in 2021]. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), Brussel.

Hammond, P.S., Lacey, C., Gilles, A., Viquerat, S., Börjesson, P., Herr, H., Macleod, K., Ridoux, V. & Santos, M.B., 2017. Estimates of cetacean abundance in European Atlantic waters in summer 2016 from the SCANS-III aerial and shipboard surveys. Sea Mammal Research Unit, University of St Andrews, Scotland, UK.

IJsseldijk, L.L., Brownlow, A., Davison, N.J., Deaville, R., Haelters, J., Keijl, G., Siebert, U. & ten Doeschate, M.T.I., 2018. Spatio-temporal trends in white-beaked dolphin strandings along the North Sea coast from 1991-2017. Lutra 61(1): 153-163.

Keijl, 2016. Jaaroverzicht walvisstrandingen 2016. Gedownload van www.walvisstrandingen.nl, 28 maart 2017. Naturalis, Nederland.

De Kustwacht en de Europese Green Deal

Hoe beïnvloedt de Green Deal de werking van de Kustwacht van verschillende Europese partners? De Green Deal is het plan van de Europese Commissie om de Europese Unie tegen 2050 klimaatneutraal te maken. Hoe kunnen we de veiligheid en de ordehandhaving in de Europese wateren zo groen en duurzaam mogelijk aanpakken? Welke kansen creëert die Green Deal voor de Kustwacht? En welke uitdagingen brengt dit streven naar duurzaamheid met zich mee?  

Dat was het thema van de tweede workshop onder het Belgische voorzitterschap van het ECGFF, het European Coast Guard Functions Forum waarin de kustwachten van verschillende Europese landen samenwerken.

Van maandag 17 tot en met woensdag 19 april kwamen delegaties samen in de Portugese hoofdstad Lissabon, waar de hoofdzetel van EMSA is gevestigd. Het European Maritime Safety Agency werd in 2002 opgericht om technische expertise te verzamelen en uit te wisselen op het gebied van veiligheid, ordehandhaving en bestrijding van vervuiling van de Europese wateren.

Nathalie Balcaen, aanwezig voorzitter van ECGFF, benadrukte bij de opening de inzet van de Belgische Kustwacht die één van de kortste stukken kust van Europa bewaakt maar deels ook instaat voor één van de drukste vaarroutes ter wereld.

In een eerste sessie werd vooral informatie en expertise uitgewisseld over de nieuwe wetgeving rond de Green Deal, uitdagingen en opportuniteiten voor het maritiem transport, nl.  het aanwenden van alternatieve energiebronnen voor het aandrijven van schepen en het beter controleren en beheersen van uitlaatgassen.

Ook vervuiling op zee zelf kwam ter sprake, meer bepaald de preventie om het milieu te beschermen en de inzet van middelen bij een vervuiling.

Hoe kan de Kustwacht adequaat reageren op verlies van vracht van schepen, of lekkages van brandstoftanks? En vooral: hoe kan een vervuiling klein of groot gewoon vermeden worden?

Opmerkelijke spreker hier was Dhr. Carl Decaluwé, gouverneur van de Belgische provincie West-Vlaanderen die coördinator is van de noodplanning op zee en voorzitter van het overlegorgaan van de Belgische Kustwacht.

Dag twee stond grotendeels in het teken van EMTER 2.0., het European Maritime Transport Environmental Report. De workshop blikte vooruit naar de resultaten van deze nieuwe studie van EMSA en het Europees Milieuagentschap (EEA) die pas volgend jaar verschijnen. Het onderzoek is een vervolg op de eerste studie uit 2021 en peilt naar de verregaande effecten die vervoer over zee heeft op het milieu. Zo wordt er ingezoomd op de gevolgen van dat vervoer voor het klimaat, de maritieme fauna en flora en de gezondheid van de Europese burger.

De volgende Europese workshop gaat opnieuw door aan de Belgische kust. Deze start op 2 mei met de BELCOASTEX oefening waar verschillende security scenario’s in een windmolenpark op zee zullen worden getest. Van 2 tot 4 mei staat EFCA centraal, het European Fisheries Control Agency. Eind mei komen delegaties samen in Brussel om er te praten over Cybersecurity. In september worden op een slotevenement in Knokke de slotconclusies van de workshops geformuleerd. Dan wordt het Belgische voorzitterschap afgesloten en doorgegeven aan Portugal.

De Kustwacht is een unieke Belgische organisatie die de expertise van 17 partners in de maritieme sector samenbundelt en coördineert, om zo de veiligheid en beveiliging op zee te garanderen. Ook de Wetenschappelijke Dienst ‘Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM)’, onderdeel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), behoort tot de partners.

In 2022-2023 is Kustwacht België voorzitter van het European Coast Guard Functions Forum (ECGFF). Samen met de Europese Agentschappen FRONTEX, EMSA en EFCA organiseert ze gedurende het jaar een aantal workshops. In samenwerking met DG Mare van de Europese Commissie wordt eveneens een werkgroep Cybersecurity georganiseerd, en de summit die plaatsvindt eind september 2023.

Een revolutie in de aquacultuur en het herstel van de mariene ruimte met ULTFARMS

Circulaire laagtrofische aquacultuur in offshore windparken

Het nieuwe ULTFARMS-project beoogt een revolutie teweeg te brengen in de toepassing van laag-trofische aquacultuur systemen (LTA) door de integratie van nieuwe technische, ecologische en biologische processen om de productie te optimaliseren in moeilijke offshore omstandigheden, omgevingen met een laag zoutgehalte en in offshore windparken. Dit zal worden bereikt door de ontwikkeling van zes proefprojecten voor laagtrofische aquacultuur in offshore windparken (OWF’s) in de Noord- en de Oostzee. De proefprojecten bestrijken de hele waardeketen voor LTA-productie in OWF’s en zullen worden uitgevoerd in Belwind (België), Borssele (Nederland), FINO2, FINO3 (Duitsland), Anholt en Samsø (Denemarken).

Binnen ULTFARMS leidt het Marine Ecology and Management team (MARECO) van het KBIN WP7 ‘Environmental Sustainability Assessment’. Het team neemt ook deel aan verschillende andere taken, waarbij het zijn expertise in mariene ecologie, adviesdiensten over milieuvergunningen en evaluaties en beheer van cumulatieve effecten aanbiedt. Het KBIN zal ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan het Belgische proefproject.

Geïntegreerde monitoring en beheer

ULTFARMS zal belanghebbenden uit de hele waardeketen van OWF en LTA samenbrengen om ervoor te zorgen dat milieuvriendelijke, koolstofarme en veilige LTA-producten worden geproduceerd, van ontwerp tot commercialisering. Het project zal nieuwe teeltstructuren, teeltsystemen en milieuvriendelijke ontwerpmaatregelen bevorderen. Via geïntegreerde monitoring- en beheerplatforms zoals het HiSea service platform en door gebruik te maken van bestaande open databanken en operationele voorspellingssystemen zoals CMEMS (Copernicus Marine Environment Monitoring Service) en SeaDATANET zullen de planning en de exploitatie van LTA’s effectief worden ondersteund via een verbeterde technische dienstverlening.

Door deze samenwerking zal ULTFARMS wetenschappelijk verantwoorde diensten aanbieden aan aquacultuurproducenten voor het monitoren en minimaliseren van ziekten en uitheemse soorten, het beheer van inputs en het optimaliseren van duurzame productie, met inbegrip van risicoanalyse.

Nalatenschap

Het uiteindelijk beoogde resultaat van ULTFARMS is een rendabele, duurzame en ecologische productieketen van laagtrofische soorten, zoals zeewier en weekdieren, in offshore windparken in de Noordzee en de Oostzee. Verder zal het project de opgedane ervaring en de ontwikkelde innovaties delen via uitgebreide communicatie- en disseminatieactiviteiten, die zullen worden ondersteund door de actieve betrokkenheid van vijf geassocieerde regio’s gedurende het hele project.

ULTFARMS is een project van 42 maanden dat op 1 januari 2023 van start is gegaan en eindigt op 30 juni 2026. Het wordt geleid door Deltares, een in Nederland gevestigd onafhankelijk instituut voor water- en ondergrondonderzoek. Het projectconsortium bestaat uit 25 partners uit 9 verschillende landen. Het project wordt gefinancierd door het onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon Europe van de Europese Unie onder subsidieovereenkomst nr. 101093888.

Project SUSANA gaat van start: Een duurzame toekomst voor zandgebruik in natuur-gebaseerde oplossingen

De stijgende zeespiegel brengt natuur-gebaseerde oplossingen steeds meer onder de aandacht. Een voorbeeld van zo’n natuur-gebaseerde oplossing is de aanleg van duinen voor de dijk. Deze beschermen ons tegen overstromingen, maar leveren ook andere ecosysteemdiensten zoals een aangename omgeving voor recreatie, verhoogde biodiversiteit, minder zandoverlast achter de duinen, etc.

Deze oplossingen vereisen zelf echter ook veel zand, terwijl de zandbronnen in de Noordzee aan snel tempo uitgeput raken. Zandwinning heeft bovendien ook een impact op het mariene ecosysteem. Het SUSANA project (Sustainable Use of SAnd in NAture-based solutions) zal een gekoppeld ecosysteemdienstenmodel ontwikkelen om de voor- en nadelen van een duin-voor-dijk af te wegen. Dit model ondersteunt de ontwikkeling van een lange termijnstrategie voor het duurzaam gebruik van zand in natuur-gebaseerde oplossingen. Het project richt zich op twee aspecten van duurzaamheid: (1) het (her)gebruik van zandig materiaal met lagere kwaliteit en (2) streven naar het beperken van de effecten van zandwinning.

De specifieke onderzoeksvragen zijn:

  • In hoeverre kunnen ook alternatieve zandbronnen de nodige ecosysteemfuncties en -diensten leveren in een duin-voor-dijk?
  • Wat is de impact van verschillende zandwinningsregimes op de ecosysteemfuncties en -diensten van het bodemecosysteem op de verschillende zandbanken, en op de verder gelegen waardevolle grindbedden?

Op basis van deze onderzoeksvragen zal een gekoppeld ecosysteemdienstenmodel ontwikkeld worden, waarmee we de voor- en de nadelen kunnen afwegen van respectievelijk de aanleg van een duin-voor-dijk, en de zandwinning die daarvoor nodig is.

Het veldwerk ging reeds van start. Deze video (KBIN/Vera Van Lancker) illustreert de werkzaamheden aan boord van de RV Simon Stevin (VLIZ) tijdens een campagne op zee begin maart 2023: het nemen van vibrocores waarbij sedimentstalen via een boring tot 2,5 m diepte uit de bodem werden onttrokken. Voor KBIN was het doel baggerstortvakken in kaart te brengen als een alternatief brongebied van zand. Bij het storten blijft vooral zandig materiaal op de locatie en wordt het fijne materiaal uitgewassen door stromingen. De onderzoekslocaties lagen vooral in de kustzone. De zandkwaliteit is hier echter aanzienlijk lager dan in de meer zeewaartse ontginningsgebieden, maar mogelijks wel voldoende voor de aanleg van op natuur-gebaseerde kustverdediging zoals duin-voor-dijk. ’s Nachts werden de zeebodem en de bovenste ondergrondlagen in kaart gebracht met behulp van akoestische meettechnieken.

Het project SUSANA is gestart in februari 2023, duurt 3 jaar en wordt financieel gesteund door VLAIO/De Blauwe Cluster.

Het projectteam bestaat uit de volgende partners: Universiteit Antwerpen (coördinator), Universiteit Gent, Katholieke Universiteit Leuven, ILVO (Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek) en KBIN (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen).

European Marine Board Future Science Brief ‘European Offshore Renewable Energy: Towards a Sustainable Future’

Een nieuw rapport van de European Marine Board (EMB) schetst de belangrijkste kennishiaten die een duurzame, billijke en verantwoorde ontwikkeling van de sector van offshore hernieuwbare energie in de weg kunnen staan.

De nieuwe EMB Future Science Brief nr. 9 “European offshore renewable energy: Towards a sustainable future” is gelanceerd op 4 april 2023. De noodzaak om de koolstofuitstoot dringend en drastisch te verminderen staat hoog op de wetenschappelijke, politieke en maatschappelijke agenda. De winning van energie uit offshore hernieuwbare energiebronnen wordt gezien als een belangrijke maatregel om deze vermindering van de koolstofuitstoot te bereiken.

Om de Green Deal-visie van de EU te verwezenlijken, moet de geïnstalleerde offshorecapaciteit voor het opwekken van hernieuwbare energie in Europa 30 keer groter worden dan de huidige geïnstalleerde capaciteit. In de haast om nieuwe offshore-installaties voor hernieuwbare energie in de Europese zeebekkens te ontwikkelen en te installeren, mogen de potentiële milieu- en maatschappelijke gevolgen daarvan echter niet worden genegeerd. De EMB Future Science Brief belicht welke stappen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de uitbreiding van deze sector duurzaam, verantwoord en billijk wordt beheerd.

Het document presenteert de technische, ecologische en sociaaleconomische stand van zaken van de offshore hernieuwbare energiesector, met de nadruk op de Europese ontwikkeling. Het presenteert de belangrijkste lacunes in kennis, onderzoek en capaciteit die moeten worden aangepakt om de duurzame uitvoering van de Green Deal van de EU te waarborgen en sluit af met belangrijke aanbevelingen op het gebied van beleid, onderzoek, capaciteit en gegevens om de sector vooruit te helpen.

Download: European offshore renewable energy: Towards a sustainable future

Als u gedrukte exemplaren van deze publicatie wilt ontvangen, neem dan contact op met info@marineboard.eu en bevestig het aantal exemplaren en uw postadres.

De European Marine Board (EMB) is een toonaangevende Europese denktank op het gebied van het beleid inzake mariene wetenschappen. EMB is een netwerk met een lidmaatschap dat meer dan 10.000 mariene wetenschappers omvat van de belangrijkste nationale mariene/ oceanografische instituten, onderzoeks-financieringsinstanties en nationale netwerken van universiteiten uit landen in heel Europa. De EMB biedt een platform voor de aangesloten organisaties om gemeenschappelijke prioriteiten te ontwikkelen, marien onderzoek te bevorderen en de kloof tussen wetenschap en beleid te overbruggen om toekomstige uitdagingen en kansen op het gebied van mariene wetenschap aan te gaan. De Belgische federale staat wordt in de EMB vertegenwoordigd door het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO) en in het EMB-communicatiepanel door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN).

De KBIN-expertise inzake de monitoring van de milieuimpact van offshore windparken wordt veelvuldig geciteerd in de nieuwe EMB Future Science Brief ‘European offshore renewable energy: Towards a sustainable future’.